Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van de rioolheffing 2018.

1. De heffingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, zijn verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht met betrekking tot het belastingobject voor de heffingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, zijn de heffingen verschuldigd over zoveel driehonderd vijf en zestigste gedeelten van het voor dat tijdvak verschuldigde heffingen als er in dat tijdvak, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle dagen overblijven. 3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het belastingobject voor de heffingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel drie honderd vijf en zestigste gedeelten van het voor dat tijdvak verschuldigde heffingen als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle dagen overblijven. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander belastingobject in gebruik neemt. 5. Indien in het belastingtijdvak meer tarieven van toepassing zijn, worden de verschuldigde heffingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, bepaald naar rato van het aantal volle dagen per periode waarin een tarief geldend is, tegen de respectievelijke tarieven per periode.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel