1. Ter zake van vaartuigen met een vaste ligplaats wordt, indien een belastingplichtige als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, is aangewezen:
a. het aantal personen die verblijf hebben gehouden, bepaald op:
2,1 bij een vaartuig met een lengte van 4 tot en met 7 meter
2,6 bij een vaartuig met een lengte van meer dan 7, doch ten hoogste 9 meter;
2,6 bij een vaartuig met een lengte van meer dan 9, doch ten hoogste 12 meter
3,7 bij een vaartuig met een lengte van meer dan 12 meter;
b. het aantal etmalen dat door de onder a bedoelde personen verblijf is gehouden,
bepaald op:
15,4 bij een vaartuig met een lengte van 4 tot 7 meter;
19,2 bij een vaartuig met een lengte van meer dan 7, doch ten hoogste 9 meter;
18,7 bij een vaartuig met een lengte van meer dan 9, doch ten hoogste 12 meter;
20,1 bij een vaartuig met een lengte van meer dan 12 meter
2. Het aantal vaartuigen als bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op het
aantal vaartuigen welke door de belastingplichtige bij aangifte uit de
verhuuradministratie zijn opgegeven, dan wel blijken.
Artikel 6.
Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van watertoeristenbelasting Schouwen – Duiveland 2018