Naar hoofdinhoud
1.. Er is sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid indien de belanghebbende voorafgaande aan de aanvraag om bijstandsverlening, dan wel ten tijde van de bijstandsverlening; het meer dan bescheiden vermogen op een onverantwoorde wijze inteert of; deze door eigen toedoen zijn recht op een voorliggende voorziening verspeelt. In genoemde gevallen verlaagt het Dagelijks Bestuur de uitkering. 2.a . De in het eerste lid onder a bedoelde verlaging wordt vastgesteld op twintig procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor de duur van het aantal maanden dat geen beroep op een uitkering nodig zou zijn geweest indien wel op een verantwoorde wijze zou zijn ingeteerd op het meer dan bescheiden vrij te laten vermogen. De in het eerste lid onder b bedoelde verlaging wordt vastgesteld op twintig procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor de duur van het aantal maanden dat geen beroep op een uitkering nodig zou zijn geweest indien het recht op de voorliggende voorziening niet door eigen toedoen verloren zou zijn gegaan. 3. . De in het tweede lid bedoelde verlaging kan voor maximaal 36 maanden worden opgelegd.

Rechtspraak bij dit artikel