Naar hoofdinhoud
1.. Op basis van artikel 13 lid 5 van de Verordening Wmo wordt de hoogte van het PGB berekend. Voor het jaar 2018 gelden de volgende maximale PGB-tarieven: 2.. In het kader van hulp bij het huishouden wordt onder “een daartoe opgeleid persoon” verstaan een persoon in dienst van een zorginstelling, dan wel een persoon die als ZZP’er staat ingeschreven in de Kamer van Koophandel met aantoonbare ervaring op het gebied van Hbh bij een zorginstelling. 3.. Er worden geen tarieven vastgesteld voor niet professionele zorg in het kader van groepsbegeleiding en dagbesteding (met of zonder vervoer) en kortdurend verblijf- en respijtzorg, omdat er van uit gegaan wordt dat deze zorg niet geleverd wordt door een niet daartoe opgeleid persoon. 4.. De budgethouder mag een vast maandloon afspreken met de aanbieder. Er is sprake van een vrij besteedbaar bedrag van 250 euro per jaar. Indien een PGB verstrekt wordt voor een periode korter dan een jaar wordt dit bedrag naar rato berekend. Dit budget kan gebruikt worden voor bijkomende kosten, zoals telefoonkosten, kosten voor de VOG-verklaring en scholing. 5.. Het PGB voor de voorzieningen zoals vermeld in artikel 13 lid 5 sub a, sub j en sub k van de Verordening Wmo kan conform artikel 13 lid 7 van de Verordening Wmo worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering zoals dat door het college aan de leverancier wordt betaald bij de verstrekking van een voorziening in natura. Hierbij wordt rekening gehouden met de eventuele tussen het college en de leverancier reeds overeengekomen korting voor een nieuwe voorziening. 6.. Het door het college te verstrekken PGB voor de voorzieningen zoals vermeld in lid 5 wordt verstrekt voor een periode die gelijk is aan de door de leverancier in de offerte vastgestelde levensduur. Onder de levensduur wordt tevens verstaan de periode die resteert na aftrek van de in de betreffende branche gebruikelijke afschrijvingsperiode.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel