Naar hoofdinhoud
1. . Het college verstrekt een pgb met in achtneming van artikel 2.3.6 Wmo en artikel 8.1.1 Jeugdwet. 2. . Onverminderd artikel 2.3.6 Wmo en artikel 8.1.1 Jeugdwet, verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3. . De hoogte van een pgb: wordt vastgesteld in het vooronderzoek en aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de individuele maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en reparatie en verzekering; bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare individuele maatwerkvoorziening in natura; wordt vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden of er sprake is van formele of informele hulpverlening. 4. . Er is sprake van formele hulp in de volgende situaties: Een aanbieder die voor de gemeente Epe voor zorg in natura is gecontracteerd voor de betreffende hulpverlening; Een aanbieder die niet gecontracteerd is maar wel ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel én blijkens de handelsbenaming uit de KvK zich primair richt op de benodigde ondersteuning zoals is vastgelegd in het ondersteuningsplan; én een dienstverband biedt aan minimaal 2 medewerkers én de medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen die voor de betreffende ondersteuning worden gesteld en ontvangen een salaris dat daarmee afkomstig is én degene die de daadwerkelijke ondersteuning biedt aan de cliënt is geen partner, eerste of tweedegraadsfamilie van degene aan wie ze hulp verleent of; Een zzp’er of freelancer die blijkens de handelsbenaming uit de KvK zich primair richt op de benodigde ondersteuning, zoals vastgelegd in het ondersteuningsplan én de zzp’er of freelancer of degene die hij inhuurt voor het leveren van de daadwerkelijke ondersteuning is geen partner, eerste of tweedegraadsfamilie van de hulpverlener. 5. . Er is sprake van informele hulp wanneer niet voldaan wordt aan de criteria voor formele hulp zoals hiervoor beschreven. 6. . Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het inzetten van informele hulp middels een pgb wordt het volgende bij de afweging betrokken: de informele hulp is in staat om de hulp te bieden die conform de beoogde doelstellingen in het ondersteuningsplan benodigd is; de informele hulp is niet, dreigend, overbelast; de cliënt en of diens vertegenwoordiger kan instaan voor de kwaliteit van de geboden hulp; 7. . De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: formele hulpverlening: op basis van de goedkoopst compenserende oplossing voor de benodigde ondersteuning, met een maximum van 100% van de geldende gemeentelijke inkooptarieven voor zorg in natura; informele hulpen van 23 jaar en ouder: een vast maximum uurtarief gedurende maximaal 40 uur per week; conform bijlagen 1A en 1B; informele hulpen jonger dan 23 jaar: maximaal het wettelijk minimumloon; vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van de gangbare kilometervergoeding of het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen passende dagbestedingslocatie en rekening houdende met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer door de cliënt belemmeren; taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief; een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door de gemeente vastgestelde leverancier(s); een woonvoorziening: op basis van een door de gemeente geaccepteerde offerte of een bouwkundig calculatiebureau; verhuiskosten en herinrichtingskosten: hiervoor geldt een maximumbedrag zie bijlage 1A; aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel: op basis van de laagste prijs die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente vastgestelde offerte. Hierbij geldt een maximumbedrag zie bijlage 1A; het bezoekbaar maken van een woning voor een persoon die verblijft in een instelling op grond van de Wet Langdurige Zorg: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente geaccepteerde offerte en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer. Voor het maximumbedrag zie bijlage 1A; voor overige individuele maatwerkvoorzieningen, niet zijnde hulpverlening: op basis van de aanschafprijs van de goedkoopst compenserende voorziening welke het college in natura zou verstrekken; onderhoud en reparatie (zijnde instandhoudingkosten) van materiële voorzieningen: een bedrag achteraf en op declaratiebasis. Het bedrag voor onderhoud en reparaties is gebaseerd op maximaal de kosten van een door de gemeente geaccepteerde offerte, rekening houdend met een bedrag voor de WA-verzekering indien deze verplicht is. Het bedrag voor onderhoud en reparaties is gebaseerd op maximaal de kosten die het college maakt wanneer een vergelijkbare voorziening in natura verstrekt wordt. 8. . Indien de cliënt een met het pgb aangeschafte voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet meer gebruikt, omdat deze niet meer adequaat is: wordt de restwaarde van de voorziening verrekend met een nieuw toe te kennen pgb; wordt bij een eventueel nieuw toe te kennen pgb, het pgb voor instandhoudingkosten voor de nog niet verstreken termijn verrekend met de nieuw toe te kennen instandhoudingkosten; wordt, in het geval dat geen nieuw pgb wordt toegekend, de restwaarde van de voorziening teruggevorderd. 9. . Binnen het maximum pgb dienen de gestelde doelen uit het ondersteuningsplan binnen de afgesproken budgetperiode te worden behaald, tenzij er zich nieuwe omstandigheden voordoen die van invloed zijn op de persoonlijke situatie en de doelen. 10. . Een pgb is niet mogelijk: als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo en als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid onder b van de Jeugdwet; crisishulp/crisisopvang/spoedhulp/spoedopvang; voor zover het pgb wordt besteed in het buitenland langer dan 13 weken per jaar of een aaneengesloten periode langer dan zes weken, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college; voor bemiddelings- of administratiekosten, coördinatie of voortgezette diagnostiek; voor het inkopen van wettelijk voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke diensten of voorzieningen; voor besteding aan voorzieningen jeugdhulp die zijn uitgesloten door het college.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel