** 1. .** Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid PW, of schending van een op grond van artikel 55 PW opgelegde verplichting die verband houdt met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekt tot vermindering of beëindiging daarvan, wordt bepaald aan de hand van de hoogte van de financiële benadeling per maand en de periode waarin deze benadeling plaatsvindt.
** 2. .** De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op:
10% bij een financiële benadeling tot 50% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm;
30% bij een financiële benadeling van 50% tot 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm;
100% bij een financiële benadeling vanaf 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
** 3. .** De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op:
Een maand bij een benadelingsperiode tot drie maanden;
Twee maanden bij een benadelingsperiode van drie tot zes maanden;
Drie maanden bij een benadelingsperiode van zes maanden of langer.
** 4. .** Indien geen financiële benadeling kan worden vastgesteld of er geen benadelingsperiode kan worden vastgesteld geldt als uitgangspunt een maatregel van 30% gedurende een maand.
** 5. .** Indien er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid waardoor een beroep of een hoger beroep op bijzondere bijstand wordt gedaan, kan de bijzondere bijstand worden geweigerd voor het deel dat de belanghebbende toegekend zou hebben gekregen als er geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid was getoond.
Hoofdstuk 3
Artikel 29.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Gemeente Epe