Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 1

Artikel 2.

Voorwaarden

Onderdeel van Verordening minimabeleid en activering Participatiewet, IOAW, IOAZ ISD Bollenstreek 2017

1.. Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de wet en artikel 3 van deze verordening komt in aanmerking voor het persoonsondersteunend budget de belanghebbende die op de verzoekdatum en gedurende de referteperiode: aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm,als bedoeld in artikel1 lid 2 sub k en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de wet. In Nederland zijn hoofdverblijf heeft en op wie de uitsluitingsgronden ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid van de wet niet van toepassing zijn 2.. Geen uitzicht op inkomensverbetering heeft in ieder geval de belanghebbende die op de verzoekdatum en gedurende de referteperiode: op grond van zijn uitkering volledig is ontheven van de arbeidsverplichting of naar vermogen werkt met een uitkering met een gedeeltelijke ontheffing van de arbeidsverplichting of geen uitkering heeft en naar vermogen werkt. 3. . Een belanghebbende werkt naar vermogen indien hij: het aantal uren werkt overeenkomstig de aan hem opgelegde arbeidsverplichting ingevolge de uitkering of voltijds werkt zoals gebruikelijk in de betrokken bedrijfstak dan wel in deeltijd maar van hem niet verlangd mag worden dat hij meer uren werkt als gevolg van zwaarwegende persoonlijke belemmeringen en omstandigheden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel