Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1

Artikel 12

Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij belanghebbenden met een uitkering

Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ

Indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ, bedraagt de aflossingsverplichting 5% van de op dat moment van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag van een alleenstaande of echtpaar, inclusief vakantietoeslag. Deze aflossing geldt ook ingeval de kostendelersnorm van toepassing is. Indien er een normswijziging plaatsvindt als gevolg van een wijziging in de gezinssamenstelling kan het aflossingsbedrag aangepast worden. De aflossingsverplichting kan in principe niet meer zijn dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d Rv voor beslag in aanmerking zou komen. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt. In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere schuldeiser dan het college), wordt de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d Rv.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel