Lid 1.
Het persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel omvat twee bestanddelen: een eenmalige vergoeding voor de aanschaf inclusief standaard fabrieksopties en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en eventueel verzekering.
Het persoonsgebonden budget is gebaseerd op de goedkoopste huurprijs van de betreffende categorie bij de gecontracteerde aanbieders opgeteld tot de geldende afschrijvingsperiode en verminderd met 35% overhead.
Het persoonsgebonden budget bedraagt, rekening houdend met de kosten voor verzekering en onderhoud voor de gehele gebruiksperiode, als bedoeld in het tweede lid, ten hoogste:
SOORT VOORZIENING
Totaal
duwwandelwagen voor continu
gebruik
€ 3.000
handbewogen rolstoel voor
incidenteel/kortdurend gebruik
€ 525
handbewogen rolstoel voor (semi-)permanent/algemeen gebruik
€ 1.850
handbewogen rolstoel voor
actief gebruik
€ 3.200
scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (8 km/uur)
€ 2.675
scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (10 km/uur)
€ 3.400
scootmobiel voor langere afstanden en intensief gebruik (15 km/uur)
€ 4.200
Lid 2.
Indien de inwoner het persoonsgebonden budget aanwendt voor het huren van een hulpmiddel ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag (A+B), gedeeld door het aantal gebruiksjaren (voor een hulpmiddel 7).
Lid 3.
De restwaarde van het hulpmiddel wordt als volgt bepaald:
Bij verhuizing of overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening
Restwaarde als percentage van het verstrekte aanschafgedeelte van het persoonsgebonden budget
Eerste jaar
60%
Tweede jaar
50%
Derde jaar
40%
Vierde jaar
30%
Vijfde jaar
20%
Zesde jaar
10%
Zevende jaar
0%
Hoofdstuk 2
Artikel 6