1. Iedere deelnemer kan een voorstel doen tot een geringe wijziging van deze regeling.
2. De geringe wijziging komt tot stand, indien alle deelnemende colleges van burgemeester en wethouders aan deze regeling met de geringe wijziging van de regeling akkoord zijn gegaan.
3. Een geringe wijziging van deze regeling is elke wijziging, voor zover deze niet hiervan is uitgezonderd in lid 5 van dit artikel als niet-geringe wijziging.
4. Iedere deelnemer kan een voorstel doen tot een niet geringe wijziging van deze regeling.
5. Onder een niet geringe wijziging van deze regeling vallen uitsluitend de volgende;
a. de wijziging van de taken, zoals opgenomen bij artikel 4, lid 3, van deze regeling;
b. een wijziging van de regeling, waarvoor een wijziging van de begroting van één of meer van de deelnemers nodig is;
c. een wijziging van de regeling, waarbij sprake is van een toetreding van een nieuwe deelnemer aan de regeling;
d. een wijziging van de regeling, waarbij sprake is van de uittreding van één van de deelnemers aan deze regeling;
e. de opheffing van deze regeling.
6. De niet geringe wijziging van deze regeling wordt voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers, pas indien alle deelnemers met de gewijzigde regeling akkoord zijn.
7. De deelnemers gaan pas over tot een niet geringe wijziging van deze regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden van de deelnemers.
8. De wijziging van deze regeling treedt in werking op de dag volgend op die waarop deze door de deelnemers bekend is gemaakt, tenzij bij de gewijzigde regeling anders is bepaald.
9. Op de wijziging van deze regeling is artikel 16 van deze regeling van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3:
Artikel 8
– Wijziging van de regeling
Onderdeel van Centrumregeling Participatiewet Rijnstreek