1. De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de wet worden voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de secretaris van de commissie:
a. artikel 2:1, tweede lid Awb; het overleggen van een schriftelijk bewijs van machtiging;
b. artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een termijn waarbinnen het verzuim in de zin van niet voldoen aan de vereisten als gesteld in artikel 6:5 Awb, kan worden hersteld;
c. Artikel 6:14, eerste lid Awb, betreffende het bevestigen van de ontvangst van het bezwaarschrift;
d. artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft tijdens de behandeling door de commissie;
e. artikel 7:4, tweede lid Awb, wat betreft het ter inzage leggen van stukken voorafgaand aan de hoorzitting.
2. De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:6, vierde lid van de wet.
3. De secretaris is bevoegd de aan hem of haar opgedragen bevoegdheden te mandateren.