Naar hoofdinhoud
Voorzieningen worden aangeduid als vreemd vermogen. Een voorziening wordt normaliter verplicht gevormd. Daarnaast is het mogelijk voorzieningen facultatief, niet verplicht, te vormen. Een voorziening heeft altijd een verplichte bestedingsrichting. 2.3.1 Kenmerken en functies voorzieningen Conform het BBV kunnen voorzieningen ingedeeld worden in: Verplichtingen, verliezen en risico’s; deze voorzieningen hebben een bufferfunctie. Egalisatievoorzieningen; deze voorzieningen hebben een egalisatiefunctie voor groot onderhoud en kostendekkende dienstverlening zoals afval, begraafplaatsen en riolering. Middelen van derden waarvan de bestemming gebonden is; dit betreft een bestedingsfunctie. 2.3.2 Verplicht vormen van een voorziening Artikel 44 BBV geeft expliciet aan in welke gevallen een voorziening moet worden gevormd. Er zijn 3 gevallen van verplichte vorming van een voorziening, wanneer: Er sprake is van een zekere verplichting of verlies, waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, maar wel redelijkerwijs in te schatten (artikel 44, lid 1a); Er op de balansdatum risico’s zijn met betrekking tot bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen, waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten (bijvoorbeeld een claim) (artikel 44, lid 1b). Indien in bovenstaande gevallen de omvang redelijkerwijs niet valt in te schatten komen deze in aanmerking voor vermelding in de paragraaf weerstandsvermogen (onderdeel inventarisatie risico’s) van de programmabegroting. In dat geval wordt er geen voorziening gevormd. Het derde geval van verplichte vorming betreft: Nog niet bestede van derden verkregen middelen, waarop een specifieke bestedingsrichting rust, met uitzondering van voorschotbedragen zoals bedoeld onder artikel 49 BBV, lid b[1]. Het gaat dan om het ultimo jaar niet bestede deel van bijdragen van derden met een specifieke bestedingsrichting waarvoor geen terugbetalingsverplichting bestaat, maar dus wel een ‘prestatieverplichting’. Een voorbeeld is de spaarcomponent voor toekomstige vervangingsinvesteringen dat in het rioolrecht mag worden meegenomen op grond van artikel 229b, lid 2a Gemeentewet. Een voorziening wordt gevormd wanneer er sprake is van onzekerheid. Wanneer de hoogte van een verlies of verplichting zeker is, wordt deze als verplichting op de balans opgenomen. Voor de gevolgen van toekomstige gebeurtenissen die niet in causale relatie staan tot de bedrijfsvoering in de periode voorafgaand aan de balansdatum, kunnen geen voorzieningen worden gevormd. 2.3.3 Facultatief vormen van een voorziening Op basis van artikel 44 lid 1c mag facultatief (niet verplicht) een voorziening gevormd worden voor toekomstige lasten waar de gemeente niet “onderuit” kan. Zoals het cyclisch (terugkerend) onderhoud van kapitaalgoederen, onder andere wegen, gebouwen, bruggen en sportvelden. Aan de vorming van een facultatieve voorziening worden twee eisen gesteld (artikel 44, lid 1c): Er moet sprake zijn van kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits de oorsprong van deze kosten mede ligt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar. De voorziening moet strekken tot gelijkmatige verdeling van de lasten over een aantal begrotingsjaren. Ten aanzien van cyclisch onderhoud kan de keuze gemaakt worden om de ongelijkmatig gespreide lasten in de meerjarenraming op te nemen. Als de ongelijkmatig gespreide lasten als een bezwaar worden gezien, kan ervoor gekozen worden (mits voldaan aan de hiervoor genoemde eisen) om via een jaarlijkse dotatie in een voorziening de lasten te spreiden. In dat geval worden de werkelijke bestedingen direct ten laste van de voorziening gebracht. De jaarlijkse dotatie zal in principe een gelijk bedrag zijn, de voorziening is immers bedoeld om ongelijkmatig gespreide lasten te voorkomen. Voorzieningen moeten naar beste schatting dekkend zijn voor de achterliggende verplichtingen en risico’s. De onderbouwing, planning van uitgaven en de voeding van de voorzieningen worden vaak in beheerplannen samengevat en in de tijd uitgezet. Voor een goed functioneren van genoemde methodiek is vereist dat de beheerplannen periodiek worden geëvalueerd en worden bijgesteld. [1] Art 49 lid b betreft van de Europese en Nederlandse overheidslichamen ontvangen voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel