Voor de vaststelling van het inkomen en het vermogen worden respectievelijk artikel 31 t/m 34 van de wet aangehouden.
Bij de vaststelling van het inkomen wordt een verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten.
Van het in aanmerking te nemen inkomen worden de middelen bedoeld in artikel 31 lid 2 van de wet niet tot het inkomen van belanghebbende gerekend.
Het in aanmerking te nemen inkomen wordt verlaagd met:
feitelijke betalingen voor levensonderhoud ten behoeve van een niet in hetgezinsverband levende echtgenoot of kinderen tot 21 jaar.
verschuldigde belastingen over buitenlandse pensioenen.
Bij het volgens artikel 31 en 32 van de wet voor draagkracht in aanmerking te nemen inkomen exclusief vakantiegeld, behoudens de in het 7e lid genoemde uitzonderingen, wordt bij een inkomen tot 110 % de geldende bijstandsnorm exclusief vakantiegeld geen draagkracht berekend. (vrijlating tot 110 % van de geldende bijstandsnorm exclusief vakantiegeld) .
Van het voor draagkracht in aanmerking te nemen inkomen (boven de 110 %), wordt een systeem gehanteerd waarbij 3 draagkrachtpercentages worden toegepast , nl.:
a. 15% wanneer het kosten betreft die bijdragen aan het zelfstandig kunnen blijven wonen;
b. 50 % bij reguliere bijzondere kosten;
c. 35 % wanneer de aanvraag een combinatie van beide kostensoorten betreft.
Voor de onderstaande kosten de is vrijlating genoemd onder lid 5 en draagkrachtbepaling onderlid 6 van deze beleidsregels niet van toepassing.
duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten;
aanvullende bijstand levensonderhoud jongeren tot 21 jaar;
woonkostentoeslag;
Voor deze kosten wordt tevens van het voor draagkracht in aanmerking te nemen inkomen, 100 % als draagkracht in aanmerking genomen bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand.
Hoofdstuk 2.
Artikel 6
Het vermogen en inkomen bij bijzondere bijstand
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand Maastricht 2018 e.v.