Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen van de gemeente Ridderkerk en het beleid over het toepassingsgebied zoals opgenomen in artikel 1 van de Invorderingswet 1990.
Voor u ligt de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen van de gemeente Ridderkerk.
Net als de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk1Bijlage bij besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M (hierna: Rijksleidraad) bevat de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen enkel beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen.
Bij de opmaak van de gemeentelijke leidraad is aansluiting gezocht bij de Rijksleidraad. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen toegevoegd of aangepast aan de specifieke gemeentelijke situatie.
Voor de indeling in artikelen en sub artikelen is aangesloten bij Rijksleidraad. Sommige artikelen uit de Invorderingswet 1990 en onderdelen van de Rijksleidraad treft u echter niet aan. Reden hiervoor is dat deze onderdelen en artikelen niet van toepassing zijn voor de gemeente. Dit is aangegeven met de opmerking: ‘Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente’. Wij hebben dit gedaan om de nummering van de originele Rijksleidraad niet te veranderen. De (halfjaarlijkse) wijzigingen van het Ministerie van Financiën kunnen dan sneller gevonden en veranderd worden.
Vanwege de leesbaarheid gebruiken wij in deze leidraad het begrip ‘ontvanger’ in plaats van de wettelijke term ‘gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen’2Artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet. Om dezelfde reden wordt in deze leidraad het begrip ‘inspecteur’ gebruikt in plaats van de wettelijke term ‘gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen’3Artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet In de andere gevallen hebben wij gekozen voor de directe vertaling van (Rijks)belastingfunctionarissen naar de lokale benamingen.
Uit de wet blijkt niet wie binnen de gemeente de Leidraad moet vaststellen. De Rijksleidraad is vastgesteld door de staatssecretaris van Financiën. Het betreft hier een bevoegdheid die intern door de minister aan de staatssecretaris is overgedragen. Met de inwerkingtreding van de aanpassingswetgeving derde tranche Algemene wet bestuursrecht (1 januari 1998) wordt ‘de minister’ in de Gemeentewet vertaald met 'het college'.
De gemeente Ridderkerk stelt zich op het standpunt dat de Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2015 ertoe strekt het invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren. De Leidraad moet als zodanig worden vastgesteld door hetzij degene aan wie de bevoegdheid is geattribueerd, dat is de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen (artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet), hetzij degene onder wiens bestuursverantwoordelijkheid de bevoegdheid wordt uitgeoefend.
In de Awb is een nieuwe afdeling 10.1.3 ingevoegd betreffende attributie. Doel van deze regeling is om buiten twijfel te stellen dat bij attributie van een bevoegdheid aan een persoon of college, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een ander bestuursorgaan, het gewone staatsrechtelijke patroon niet wordt doorbroken. Hiermee is dus uitdrukkelijk geregeld dat (bijvoorbeeld) de invorderingsambtenaar ondergeschikt blijft aan het politiek verantwoordelijke bestuursorgaan waarvoor hij werkt. Het college van burgemeester en wethouders houdt dus de bevoegdheid om per geval of in het algemeen instructies te geven, ook voor de toegedeelde bevoegdheid.
Gelet op het voorgaande is deze leidraad vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders.
Afkorting
Omschrijving
.....................
......................................
Awb
Algemene wet bestuursrecht
Awir
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
AWR
Algemene wet inzake rijksbelastingen
BW
Burgerlijk Wetboek
FW
Faillissementswet
MSNP
Minnelijke schuldsanering natuurlijke personen
Rv
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Sr
Wetboek van Strafrecht
Sv
Wetboek van Strafvordering
WSF
Wet Studiefinanciering 2000
WSNP
Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen
PW
Participatiewet (voorheen Wet Werk en Bijstand WWB)
belasting(en): belastingen die door de gemeente worden geheven;
belastingdeurwaarder: de daartoe door het college aangewezen gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet;
besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990;
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente;
[vervallen]
inspecteur: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de inspecteur;
ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of zelfstandig een beroep uitoefent;
ontvanger: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de ontvanger;
particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt aangemerkt;
regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990;
wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet 1990).
Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde verstaan als de wet daaronder verstaat.
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te beperken.
De ontvanger handelt bij de invordering zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks het feit dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet.
Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14 en 4:15 Awb).
Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb).
Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17 Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen:
bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;
bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet;
bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen derhalve niet van toepassing is op:
verzoeken om uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25 van de wet;
verzoeken om kwijtschelding als bedoeld in artikel 26 van de wet.
Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij invordering is artikel 4:84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad dient.
Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de belastingschuldige in een verzoek aan de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de ontvanger de belastingaanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen. Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggave wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is bekendgemaakt.
Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de gemeente de voorkeur.
Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan vijftig werknemers, dan vraagt hij daartoe toestemming van het college. Onder een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep.
Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel onwetend blijven.
De ontvanger vraagt altijd toestemming als:
met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijf wordt beoogd;
door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd;
derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het geval is bij derdenbeslag;
de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die schuldeiser.
De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven.
Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid van de wet terstond invordert.
Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name:
de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, de vijfde mei en de Goede Vrijdag, alle met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag;
regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag;
de dagen tussen de beide Kerstdagen en Nieuwjaarsdag.
Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij de gemeente.
Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden.
Belastingdeurwaarder is een door of namens het college aangewezen ambtenaar van de gemeente, dan wel een als belastingdeurwaarder van de gemeente aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de ontvanger).
Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen dient.
Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van enige belasting.
De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen.
Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is.
De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende zeven jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard.
De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste zeven jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren.
Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste zeven jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren.
Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden - voor wat betreft de invordering - geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden.
De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is.
De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald binnen de betalingstermijn(en) die voor de belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt.
De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen.
De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot:
Ministerie van Buitenlandse Zaken
Directie Kabinet en Protocol
Postbus 20061
2500 EB 's-Gravenhage
Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van toepassing is op de wet.
Deze leidraad is van toepassing op de gemeente Ridderkerk voor de hieronder genoemde heffingen:
Afvalstoffenheffing, Onroerende zaakbelasting (OZB), Rioolheffing, Hondenbelasting, Lijkbezorgingsrechten, Leges, Marktgelden, Baatbelasting, Parkeerbelasting, Precariobelasting, Dwangsommen.
Deze leidraad heeft betrekking op genoemde heffingen (belastingen, leges en rechten), rekening houdende met de aanwijzingsbesluiten inzake de belastingheffings- en belastinginvorderingsbevoegdheden van gemeenteambtenaren. Op grond van deze aanwijzingsbesluiten gelden de volgende invorderingsbevoegdheden: De invorderingsambtenaar is de aangewezen ambtenaar belast met het gehele invorderingstraject inzake de door de diverse sectoren geheven heffingen (waaronder belastingen). De invordering van leges geschiedt gelijk aan de invordering van aanslagen. De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit fiscaal bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad).
Artikel 1
Inleiding en toepassingsgebied
Onderdeel van Leidraad Invordering Gemeentelijke Belastingen Ridderkerk