Naar hoofdinhoud

Afdeling III.

Artikel 10

Artikel 10

Onderdeel van Parkeerverordening 2018

Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats gedurende de tijden waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is toegestaan: een motorvoertuig te parkeren indien niet, of niet onmiddellijk na aanvang van het parkeren, is voldaan aan de verplichting tot het betalen van het verschuldigde parkeergeld; een motorvoertuig te parkeren als de parkeertermijn is verstreken. Het in het eerste lid van dit artikel vervatte verbod geldt niet wanneer aan de eigenaar of houder van het motorvoertuig een vergunning is verleend voor het parkeren op de betreffende parkeerapparatuurplaatsen, het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van een vergunning en niet gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden. Vrijgesteld aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel zijn: voertuigen voorzien van een duidelijk zichtbare Invalidenparkeerkaart of Europese Gehandicapten Parkeerkaart; ambulances, voertuigen van politie en brandweer voor zover deze voertuigen bij het uitoefenen van de dienst worden gebruikt en mits deze voertuigen als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Rechtspraak bij dit artikel