Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen die adequaat en toereikend zijn met als doel het bevorderen van arbeidsinschakeling door het opdoen van werkervaring en arbeidsritme, het aanleren van vaardigheden en kennis, dan wel het op een andere wijze vergroten van zelfredzaamheid.
Het college kan een voorziening beëindigen indien:
de belanghebbende niet meer behoort tot de doelgroep van de wet of dit hoofdstuk of niet meer voldoet aan de voorwaarden verbonden aan de voorziening;
de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;
de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een doeltreffende en doelmatige arbeidsinschakeling.
Er kunnen geen voorzieningen worden ingezet als de concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of dit kan leiden tot verdringing van reguliere werknemers.
Hoofdstuk 2
Artikel 6
Algemene bepalingen over voorzieningen
Onderdeel van Verordening Participatiewet