Naar hoofdinhoud
1.. De gemandateerde oefent zijn bevoegdheid niet uit indien hij bij het te nemen besluit een persoonlijk belang heeft als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2.. De gemandateerde stelt de provincie in kennis van krachtens mandaat te nemen of reeds genomen besluiten waarvan hij moet aannemen dat kennisneming door de mandaatgever gewenst is. Hiervan is in ieder geval sprake als de maatschappelijke, beleidsmatige, politieke, juridische of financiële omstandigheden daartoe aanleiding geven. 3.. De uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden geschiedt binnen de grenzen en met inachtneming van artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede de geldende beleids- en uitvoeringsregels. 4.. De gemandateerde neemt bij de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden instructies van mandaatgever in acht. Partijen lichten elkaar over en weer in over de uitvoering van een instructie op een zodanig tijdstip dat de inachtneming of tijdige verdaging van beslistermijnen gewaarborgd wordt. 5.. De gemandateerde informeert de mandaatgever over de uitvoering van de gemandateerde bevoegdheden. 6.. Dit mandaat heeft geen betrekking op besluiten tot weigering van een vergunning of ontheffing. 7.. Verder geldt dat, wanneer een voorgenomen beslissing op een aanvraag om vergunning of ontheffing afwijkt van het advies van de Wadloopadviescommissie, het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen wordt geraadpleegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel