Het college toetst of een alternatief voor aansluiting op het warmtenet gelijkwaardig is danwel beter zijn inzake energiezuinigheid en bescherming van het milieu. Hiertoe wordt de minimale norm voor energiezuinigheid en bescherming van het milieu vastgesteld. Het minimum is de energiezuinigheid en bescherming van milieu, gerekend vanuit het warmtenet voor het stationsgebied. Indien wordt voldaan aan het gestelde in artikel 4 a tot en met d wordt aan de minimum norm voldaan.
4a. Een gebouw dient altijd te voldoen aan alle eisen uit het actuele Bouwbesluit. In het Bouwbesluit wordt de energiezuinigheid van een gebouw uitgedrukt in een zogenaamde Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor het bepalen van de EPC wordt de energieprestatie van het gebouw (middels de EPG-norm, NEN 7120, Energieprestatienorm voor Gebouwen) en de energieprestatie van gebiedsmaatregelen meegenomen (middels de EMG-norm, op dit moment de NEN 7125, Energieprestatienorm Maatregelen op Gebiedsniveau). Voor een collectieve energievoorziening, zoals een warmtenet, moet ook aan de zogenaamde getrapte EPC-eis worden voldaan.
4b. Ter invulling van de eerste gelijkwaardigheidseis ‘energiezuinigheid’, wordt in dit warmteplan, naast de EPC, een aanvullende eis aan de energiezuinigheid van een gebouw gesteld. Deze sluit aan bij de EMG en de EPG normen, maar heeft alleen betrekking op het primaire energiegebruik voor ruimteverwarming en tapwaterverwarming.
4c. De tweede gelijkwaardigheidseis ‘bescherming van het milieu’ wordt in dit warmteplan gedefinieerd als: gelijkwaardige (equivalente) CO2-emissies. Het gaat om de emissies van de broeikasgassen CO2en methaan, uitgedrukt in equivalente CO2-emissies (kg CO2-eq). De methaanemissies kunnen worden omgerekend met de factor (global warming potential) 35 kg CO2-eq /kgmethaan. Het gaat hierbij om de (equivalente) CO2-emissies van de primaire energie, exclusief indirecte emissies.
4d. Als vastgesteld is dat het gebouw met alternatieve warmtevoorziening (inclusief eventuele aanvullende maatregelen) voldoet aan alle eisen van het Bouwbesluit en hiermee ook aan de (getrapte) EPC-eis, kan de gelijkwaardigheid worden getoetst. Een alternatief (aangeduid met de index alt) is gelijkwaardig aan het warmtenet (aangeduid met de index dh) als de volgende toetsen zijn doorstaan:
Toets 1:
Het primaire energiegebruik voor ruimteverwarming en tapwater–verwarming van de situatie met een alternatieve warmtevoorziening is ten minste gelijkwaardig aan de situatie met een aansluiting op het warmtenet.
Toets 2:
De equivalente CO2-emissies die voortkomen uit het primaire energie–gebruik voor ruimteverwarming en tapwaterverwarming van de situatie met een alternatieve warmtevoorziening is ten minste gelijkwaardig aan de situatie met een aansluiting op het warmtenet.
Toets 3:
Zowel in de situatie waarbij het gebouw is aangesloten op het warmtenet als de situatie waarbij het gebouw is aangesloten op een alternatieve warmtevoorziening, moet het gebouw voldoen aan de (getrapte) EPC-eis uit het actuele Bouwbesluit om een geldige vergelijking te maken.