Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 11.

Regels persoonsgebonden budget

Onderdeel van Nadere regels Jeugdhulp De Fryske Marren

Een persoonsgebonden budget kan worden toegekend als naar het oordeel van het college een jeugdige en/of zijn ouder(s): over de bekwaamheid om zijn belangen ter zake te behartigen beschikt en op eigen kracht dan wel met hulp vanuit hun sociale netwerk dan wel een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat is de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te (laten) voeren; voldoende is gemotiveerd dat een individuele voorziening in natura niet passend en toereikend is; de kwaliteit van dienstverlening naar het oordeel van het college voldoende gewaarborgd is. Vanaf het moment dat de jeugdhulp geleverd wordt, is de jeugdige en/of zijn ouder(s) in de rol van opdrachtgever primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde jeugdhulp, samen met zijn zorgaanbieder. Een persoonsgebonden budget mag niet worden verstrekt als het gaat om een minderjarige jeugdige die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering opgelegd heeft gekregen of wanneer een jeugdige is opgenomen in een gesloten accommodatie. Een persoonsgebonden budget wordt geweigerd als er sprake is van spoedeisende jeugdhulp. De taken die verbonden zijn aan een persoonsgebonden budget mogen niet uitgevoerd worden door degene die de jeugdhulp biedt. Uitzondering hierop vormt de bloed- of aanverwant in de 1e graad van de jeugdige die jeugdhulp biedt. Uit het persoonsgebonden budget mogen de volgende kosten niet betaald worden: bemiddelingskosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers, eenmalige uitkeringen en feestdagenuitkeringen.

Rechtspraak bij dit artikel