Naar hoofdinhoud

Artikel 2.1.

Te verstrekken gegevens bij de aanvraag

Onderdeel van VERORDENING tegemoetkoming kinderopvang

De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 26 van de wet). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de ouder woont (artikel 22, derde lid van de wet). De aanvraag moet schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 van de Awb). Omdat de tegemoetkoming maximaal voor de duur van een kalenderjaar wordt verstrekt moet deze in principe elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Om de lasten voor de aanvrager te beperken kan bij de start van een nieuw kalenderjaar met behulp van een statusformulier de beslissing over een volgend kalenderjaar eenvoudig ambtshalve worden afgedaan. De betrokken ouder hoeft dan niet een heel nieuwe aanvraag in te dienen. Soms zal door tussentijdse wijzigingen in het aantal uren kinderopvang ook de hoogte van de tegemoetkoming tussentijds wijzigen. De ouders hebben wat dit betreft een inlichtingenplicht. Voor de gemeente is het handig om niet bij iedere wijziging een nieuwe aanvraag te eisen. Volstaan kan worden met het gebruik van een mutatieformulier voor het doorvoeren van de wijzigingen. Bij de aanvraag moet een offerte of contract van het kindercentrum of het gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een tegemoetkoming pas kan worden ingediend als de ouder over een offerte of een contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract kan de gemeente de hoogte van de tegemoetkoming bepalen (nooit meer dan het maximumbedrag per uur dat genoemd wordt in de wet). Het kindercentrum of het gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen moet ingeschreven staan in het gemeentelijke register. Bij de aanvraag moeten gegevens of een verwijzing naar gegevens gevoegd worden waaruit blijkt dat de aanvrager behoort tot een gemeentelijke doelgroep. Wanneer de aanvrager een uitkering van de gemeente krijgt (WWB, IOAW, IOAZ of WIK), kan volstaan worden met een verwijzing naar de gegevens waarover de gemeente beschikt. Bij de aanvraag moet dan een kopie van de toekenningsbeschikking en een kopie van het trajectplan reïntegratie gevoegd worden. Wanneer de aanvrager een niet-uitkeringsgerechtigde is, dan moet een kopie van de inschrijving als werkzoekende bij het CWI en een kopie van het trajectplan reïntegratie bij de aanvraag gevoegd worden. Wanneer de aanvrager een student is, dan moet er een bewijs zijn van de inschrijving bij een school of opleidingsinstituut. In het derde lid van artikel 2.1 wordt bepaald dat in het geval de aanvrager een partner heeft, de partner de aanvraag mede moet ondertekenen. Deze verplichting is ook opgenomen in de wet, maar wordt volledigheidshalve toch in de verordening opgenomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel