Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3.

Gelijkstelling niet bewoonde woningen met lokalen

Onderdeel van Damoclesbeleid gemeente Kerkrade 2017

1.. Indien het naar het oordeel van de burgemeester niet aannemelijk is dat een woning, waarin een middel als bedoeld in Lijst II van de Opiumwet is aangetroffen, ten tijde van het aantreffen daarvan feitelijk als zodanig in gebruik was c.q. feitelijk en bestendig bewoond werd, dan past hij de Handhavingsmatrix toe die van toepassing is op lokalen (Handhavingsmatrix B). 2.. Indicatoren die kunnen leiden tot het in lid 1 genoemde oordeel zijn onder andere, doch niet uitsluitend: - geen inschrijvingen in de Basisregistratie Personen op het adres in kwestie; - het feit dat een persoon, die stelt op het adres in kwestie te wonen, blijkens de Basisregistratie Personen elders staat ingeschreven; - een lopend of afgerond onderzoek van de gemeentelijke bevolkingscontroleur ten aanzien van één of meer van de op het adres in kwestie blijkens de Basisregistratie Personen ingeschreven bewoners; - geen bij de gemeente bekend zijnde WOZ-gebruiker van het adres in kwestie; - het bestaan van een achterstand in de betalingen van de gemeentelijke belastingen met betrekking tot het adres in kwestie, tenzij ten tijde van het aantreffen van de middelen als bedoeld in Lijst II van de Opiumwet reeds bij de gemeente Kerkrade bekend was c.q. gemeld was dat deze achterstand te wijten is aan financieel onvermogen; - geen- of duidelijk minder ledigingen dan normaliter gebruikelijk is van de gemeentelijke c.q. RD4 huisvuil- en/of GFT inzamelmiddelen. - het retour ontvangen van naar het betreffende adres verzonden gemeentelijke correspondentie; - beschrijvingen van eigen waarnemingen, waaruit redelijkerwijs aanwijzingen blijken dat de woning in kwestie feitelijk niet wordt bewoond; - beschrijvingen in van een opsporingsinstantie ontvangen rapportage(s), waaruit redelijkerwijs aanwijzingen blijken dat een woning niet feitelijk en/of bestendig wordt bewoond.

Rechtspraak bij dit artikel