De voorzitter stelt de uitkomst van de beraadslagingen vast. Indien dit niet duidelijk is kan hij vragen om bij handopsteking door de raadsleden de beraadslagingen te duiden. Indien hoofdelijke stemming gevraagd wordt deelt de voorzitter mede bij welk lid van de raad de hoofdelijke stemming zal beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van de presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de hoofdelijke stemming.
HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 2
Artikel 3.2.4