**1..** Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester, de griffier of de secretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke rege-lingen, heeft het recht verslag te doen over zaken die in het algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn. De voorzitter kan een door de raad gewenste bespreking van dit verslag verwijzen naar het politiek forum.
**2..** Ieder lid van de raad kan aan een persoon, als bedoeld in het eerste lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 4.7, zijn van overeenkomstige toepassing.
**3..** Indien een lid van de raad een persoon, als bedoeld in het eerste lid, ter verantwoording wenst te roepen over diens wijze van functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan. De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel 4.9, zijn van overeenkomstige toepassing.
**4..** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin de raad een of meerdere van zijn leden heeft benoemd.
HOOFDSTUK 5
Artikel 5.1