Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Juridisch kader

Onderdeel van Beleidsregel Damocles gemeente Barendrecht

Artikel 13b Opiumwet: De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen. Op grond van artikel 13b, eerste lid, Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang, indien in woningen of lokalen, dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking, indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt1O.a. ABRvS 11 december 2013, 201300186/1/A3. De enkele ontkenning dat de drugs bestemd waren om te worden verhandeld is daartoe onvoldoende2O.a. ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2365. Met andere woorden, er is sprake van een omgekeerde bewijslast. In diezelfde uitspraak oordeelde de rechter ook dat artikel 13b Opiumwet niet alleen betrekking heeft op de productie van harddrugs maar ook op de teelt van hennep (in panden). Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de handel, het gebruik en de aanwezigheid van de drugs een nadelig effect hebben op de openbare orde. Bij de handel in drugs wordt de aantasting van de openbare orde zonder meer aangenomen. De openbare orde verstoring hoeft niet door middel van feiten en omstandigheden te worden aangetoond. Panden waarin geen handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, maar waarvan het aannemelijk is dat deze gebruikt worden ten behoeve van de productie en/of handel in drugs, kunnen worden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet3O.a. ABRvS 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1138. Volgens de jurisprudentie volgt uit het woord ‘daartoe’ zoals genoemd in artikel 13b, eerste lid, Opiumwet dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs aan de burgemeester de bevoegdheid geeft tot toepassing ervan. Het is dan ook niet noodzakelijk dat de drugs daadwerkelijk wordt verhandeld. Dit beleid is gebaseerd op een bestuurlijke bevoegdheid van de burgemeester en staat los van een eventuele strafrechtelijke aanpak. De bestuursrechtelijke aanpak kan naast strafrechtelijke vervolging plaatsvinden. Bij een bestuurlijk traject gelden andere normen dan bij een strafrechtelijk traject die niet uitwisselbaar zijn. De verantwoordelijkheden van de burgemeester zijn van andere aard, dan die van een officier van justitie. Strafrechtelijke sancties richten zich op de bij de verkoop betrokken personen. Deze sancties zijn bestraffend (punitief )van karakter. Via het strafrecht zijn geen maatregelen te nemen om te voorkomen dat er specifiek vanuit een woning of een lokaal drugs verhandeld worden. Het beëindigen of het opheffen van de illegale verkooppunten wordt daarmee niet per definitie bereikt. De handel in verdovende middelen is strafbaar en in voorkomende gevallen leidt deze zo mogelijk tot strafvervolging. Bestuursrechtelijke maatregelen richten zich op bij overtreding van de Opiumwet betrokken woningen of lokalen, waardoor beëindigen of het opheffen van de illegale situatie kan worden bereikt (herstel sancties).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel