1. Het college stelt de noodzaak voor vervoer van en naar een locatie waar jeugdhulp wordt geboden vast als:
a. de jeugdige niet op eigen gelegenheid naar de locatie kan reizen (vanwege medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid); én
b. er sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid van de ouders (niet zelf kunnen vervoeren); én
c. er geen sprake is van mogelijkheden in de sociale omgeving van de jeugdige om het vervoer te kunnen verzorgen.
2. Het college kan de vervoerscomponent van een voorziening zoals bedoeld in artikel 2.3 lid 2 van de Wet in geval van hoog specialistische zorg toekennen in de vorm van een vergoeding. De hoogte van de vergoeding is gebaseerd op de goedkoopst adequate vervoersmogelijkheid.
3. Voor vervoer per auto is de vergoeding gebaseerd op € 0,19 per kilometer.
4. In geval van hoog specialistische zorg in natura, niet zijnde Jeugd-ggz vervoer, wordt de vergoeding aan de zorgaanbieder betaald met een maximum van € 7,10 per dag. Bij rolstoelvervoer geldt een maximum van € 19,00 per dag.