Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Coffeeshopbeleid

Onderdeel van Beleidsnota handhaving artikel 13b Opiumwet Goes

De burgemeester volgt de AHOJGI-criteria bij de handhaving van gedoogde coffeeshops. De burgemeester kan in de gedoogverklaring strengere voorwaarden opnemen. Er wordt in de gedoogverklaring opgenomen dat maar 3 (drie) gram softdrugs per persoon per dag mag worden verkocht (in plaats van vijf). Doel van de 3 gram norm is om drugstoeristen en doorverkoop te ontmoedigen. Het afstandscriterium is geen wettelijke verplichting. Coffeeshophouders dienen vast te stellen dat degene aan wie ze toegang verlenen meerderjarige ingezetenen van Nederland zijn. De controle van het ingezetenencriterium, dus de check of de gebruiker daadwerkelijk in Nederland woont, is de verantwoordelijkheid van de coffeeshopexploitant. Het tonen van een geldig identiteitsbewijs of verblijfsvergunning in combinatie met een uittreksel uit de basisregistratie Personen (BRP) zijn instrumenten waarmee de coffeeshophouder kan vaststellen of iemand in Nederland woont. Personen die niet zijn ingeschreven dan wel zijn ingeschreven in het zogeheten niet-ingezetenen register, zijn geen ingezetenen en mogen dus geen softdrugs kopen in een coffeeshop. Bij recidive is paragraaf 3.3 van overeenkomstige toepassing, overtredingen worden vijf jaar lang ‘meegenomen’. Bij herhaling is in eerste instantie bedoeld herhaling van eenzelfde overtreding in dezelfde inrichting. Een cumulatie van overtredingen kan leiden tot het overslaan van een "stap" in onderstaande gedragslijn en het meteen overgaan tot een sluiting zonder de stap waarschuwing of tot het sluiten van de inrichting gedurende een langere periode. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de gedoogcriteria ligt uitdrukkelijk bij de exploitant. Deze is degene die op de naleving moet toezien. Volgens vaste jurisprudentie speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant geen rol bij de vraag of er zich een situatie voordoet die tot sluiting van een inrichting noopt. De exploitant is verantwoordelijk voor de gang van zaken in de door hem geëxploiteerde inrichting. Bij overtredingen zal overgegaan worden tot een waarschuwing of sluiting of intrekking van de gedoogverklaring. Indien er aanleiding bestaat kan een BIBOB-onderzoek worden ingesteld en wordt de gedoogverklaring zo nodig ingetrokken. Ook een strafrechtelijke veroordeling kan een reden zijn om de gedoogverklaring in te trekken. Exploitant en beheerders mogen niet van slecht levensgedrag zijn. Hierbij raakt men al snel de zogenaamde ‘achterdeurproblematiek’. Ten aanzien van zedelijkheidseisen wordt er rekening gehouden met de omstandigheid dat er criminele antecedenten kunnen bestaan welke verband houden met overtreding van artikel 3 van de Opiumwet. Omdat men de kans loopt om een proces-verbaal te krijgen wegens een overtreding en daarbij dus ook een redelijke kans heeft op een veroordeling, worden die strafbare feiten, die rechtstreeks verband houden met het exploiteren van de coffeeshop binnen de gedoogvoorwaarden, in beginsel niet meegewogen in de beoordeling van het levensgedrag. Voorbeelden van betrokkenheid bij handelingen welke geen verband houden met de gedoogde verkoop van softdrugs en welke wel worden aangerekend zijn: hoeveelheden softdrugs welke niet in verhouding staan tot het aantal bezoekers en de bijbehorende omzet van de coffeeshop, de exploitant moet aantonen dat de aangetroffen hoeveelheid past binnen de gedoogde verkoop; drugs met een andere bestemming dan de coffeeshop (bijvoorbeeld niet-gedoogde verkoop of export); teelt van softdrugs; harddrugs; witwassen / aanwezigheid van grote hoeveelheden geld waarvan de herkomst niet aanwijsbaar is. Een gedoogd verkooppunt heeft onder meer op grond van de APV een exploitatievergunning met bijbehorende gedoogverklaring nodig. Indien de voorwaarden van de exploitatie niet worden nageleefd heeft de burgemeester in beginsel de keuze om op te treden op grond van: overtreding van de voorwaarden als opgenomen in de exploitatievergunning, of AHOJGI-criteria en gedoogverklaring. Wanneer een exploitant / leidinggevende de vergunningsvoorwaarden van de exploitatievergunning overtreedt zal in beginsel worden opgetreden via de exploitatievergunning op de wijze zoals dit bij horecabedrijven (en dus ook coffeeshops) gebruikelijk is. Indien sprake is van het overtreden van de AHOJGI-criteria of de gedoogverklaring, met uitzondering van het H criterium (zie hierna), zal in beginsel de volgende gedragslijn worden gevolgd: 1e overtreding Schriftelijke waarschuwing 2e overtreding (binnen 5 jaar) Sluiting voor een periode van drie maanden 3e overtreding (binnen 5 jaar) Sluiting voor een periode van zes maanden 4e overtreding (binnen 5 jaar) Definitieve sluiting en / of intrekking gedoogverklaring Indien in een coffeeshop of bijbehorende ervan een middel als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is, zal in beginsel de volgende gedragslijn worden gevolgd: 1e overtreding Sluiten voor een periode van minimaal 6 maanden 2e overtreding (binnen 5 jaar) Definitieve sluiting en / of intrekking gedoogverklaring Ingeval van een geringe overschrijding van de handelsvoorraad, dat wil zeggen met minder dan 500 gram, zal naar redelijkheid een lichtere maatregel volgen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Een coffeeshop is een gelegenheid waar het risico op criminaliteit aanwezig is. In die situaties is voorafgaande aan de vergunningverlening onderzoek nodig wat kan leiden tot een onderzoek in het kader van de Wet Bibob. Het is onwenselijk als de vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3 Awb wordt niet van toepassing verklaard.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel