Naar hoofdinhoud
1.. de raden van de gemeenten wijzen elk uit hun midden of uit de colleges twee leden van het algemeen bestuur aan. Tenminste een van deze leden dient lid te zijn van het college van burgemeester en wethouders. provinciale staten wijzen elk uit hun midden of uit het college van gedeputeerde staten twee leden van het algemeen bestuur aan. Tenminste een van deze leden dient lid te zijn van het college van gedeputeerde staten. 2.. De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor een periode van vier jaar. 3.. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur vindt plaats in de eerste vergadering in nieuwe samenstelling van de gemeenteraad voor de leden als bedoeld in het eerste lid onder a, c.q. provinciale staten voor leden als bedoeld in het eerste lid onder b, waarin art. V 12 van de Kieswet is toegepast. Periodiek aftredende leden kunnen dadelijk opnieuw worden aangewezen door de raden of de staten. 4.. Een tussentijds afgetreden lid wordt opgevolgd voor diens resterende bestuursperiode. 5.. Het aanwijzen ter vervulling van plaatsen die tussentijds openvallen, vindt plaats binnen twee maanden na dat openvallen. 6.. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter schriftelijk op de hoogte. 7.. Het lidmaatschap van het bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, of arbeidscontractant door of vanwege het bestuur van het recreatieschap aangesteld of daaraan ondergeschikt, dan wel daarvoor werkzaam. 8.. Elk lid van het algemeen bestuur heeft een plaatsvervanger. Aanwijzing van de plaatsvervanger vindt plaats tegelijkertijd met de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur. 9.. Het bepaalde in het eerste t/m zevende lid is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangers.

Rechtspraak bij dit artikel