Naar hoofdinhoud

Artikel 2:

Mandaat en ondermandaat

Onderdeel van Mandaatbesluit RUD Utrecht - gemeente Utrecht 2018

1. Het college verleent aan de directeur mandaat voor het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen welke nodig zijn ter uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst welke tussen de gemeente Utrecht en de RUD Utrecht gesloten is. 2. [Vervallen.] 3. Het mandaat, bedoeld in het eerste lid, behelst niet de bevoegdheid tot besluiten tot de intrekking van een vergunning overeenkomstig artikel 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 4. Het mandaat, bedoeld in het eerste lid, behelst niet de bevoegdheid tot beslissen op bezwaarschriften, bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 4a. Het mandaat bedoeld in het eerste lid, behelst niet de bevoegdheid tot het nemen van besluiten, anders dan a. het besluit om een aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht; b. het afwijzen van een herhaalde aanvraag op grond van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht; c. het aanwijzen van toezichthouders in de zin van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht; d. het machtigen van procesvertegenwoordigers; e. het nemen van besluiten op grond van hoofdstuk 17 Wet milieubeheer inzake maatregelen bij een ongewoon voorval, voor zover er sprake is van een situatie dat terstond ingrijpen noodzakelijk is om onomkeerbare schade of gevaar aan het milieu te voorkomen; f. het nemen van besluiten op grond van artikel 5:27 Algemene wet bestuursrecht welke zijn benodigd ten behoeve van de toepassing van bestuursdwang, met uitzondering van het binnentreden van een woning; g. het indienen van een aanvraag op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar; h. het besluit tot het opleggen van een spoedeisende last onder bestuursdwang conform artikel 5:31 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 5.17 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel de schriftelijke bekrachtiging van de mondelinge aanzegging daartoe, voor zover er sprake is van een situatie dat terstond ingrijpen noodzakelijk is om onomkeerbare schade of gevaar aan het milieu te voorkomen; i. besluiten op grond van artikel 30, 32 en 33 Wet bodembescherming met betrekking tot het treffen van maatregelen bij ongewone voorvallen alsmede het uitvoeren van die maatregelen, voor zover er sprake is van een situatie dat terstond ingrijpen noodzakelijk is om onomkeerbare schade of gevaar aan het milieu te voorkomen; j. het voorbereiden en uitvoeren van besluiten op grond van de artikelen 43, 55b en 74 Wet bodembescherming met betrekking tot de inzet van het bevelsinstrumentarium; k. het voorbereiden en uitvoeren van besluiten op grond van de artikelen 70, 71 en 72 Wet bodembescherming; l. gegevens verstrekken dan wel opvragen ingevolge artikel 87a, eerste en derde lid Wet bodembescherming, artikel 92b Wet bodembescherming en ad hoc op verzoek van het ministerie over gegevens in het kader van de Wet bodembescherming. 5. De directeur kan de bevoegdheden, genoemd in het eerste lid, in ondermandaat opdragen aan personen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn, tenzij dat ten aanzien van een concreet mandaat in de bijlage uitdrukkelijk is uitgesloten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel