Een ieder kan zich bij het college melden. Om te spreken van een melding wordt wel onderscheid gemaakt tussen een verzoek om informatie en advies en een verzoek om maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast moet de melding vanzelfsprekend onder de kwalificatie van maatschappelijke ondersteuning vallen. Dit is van belang omdat een melding van een hulpvraag leidt tot een onderzoek, zie artikel 2.5 van de Verordening. Lid 5 van dat artikel bepaalt overigens wel dat van een onderzoek kan worden afgezien, dit alleen in overeenstemming met de cliënt. Het college dient in het onderzoek na melding de belastbaarheid van de mantelzorgers mee te wegen. Hoewel dat strikt genomen niet voortvloeit uit de wet is het aan de andere kant moeilijk voorstelbaar dat een cliënt die bijvoorbeeld nieuwe banden nodig heeft voor zijn rolstoel daarvoor de gehele procedure van de melding en het onderzoek moet doorlopen en pas daarna zijn aanvraag kan indienen.
Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (zie begripsbepaling Verordening). De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming.
Uit het persoonlijk plan moet in ieder geval blijken op welke manier de cliënt zelf denkt dat zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan worden vormgegeven. De inhoud van die motivatie moet betrekking hebben op de volgende onderwerpen:
de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren;
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie.
Dit zijn de meeste onderwerpen genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet. Concreet betekent dit dat het college de inhoud van het persoonlijk plan moet beoordelen op de wijze waarop het verslag (in samenspraak met de cliënt) door het college zelf wordt (of zou worden) opgesteld.
Op het college rust de wettelijke voorlichtplicht over de bijdrage in de kosten die de cliënt verschuldigd zal zijn voor de maatwerkvoorziening of Pgb of bij gebruikmaking van algemene voorzieningen. Door de cliënt vroegtijdig en goed te informeren over de hoogte van de verschuldigde bijdrage voor zijn ondersteuning kan de cliënt een goede afweging maken of hij daadwerkelijk een aanvraag wil doen of de ondersteuning juist zelf organiseert.
Ook moet het college aan de cliënt informatie over de mogelijkheden verstrekken waaronder begrepen de gevolgen van een keuze voor een Pgb, zoals het blijven voldoen aan de voorwaarden. De manier waarop het college de cliënt voorlichting biedt is vormvrij. Wel moet het college er redelijkerwijs zeker van zijn dat de cliënt weet welke bijdrage in de kosten hij kan verwachten en dat hij zich bewust is van alle rechten en plichten die de keuze voor een Pgb met zich brengt. Zie verder hoofdstuk 10 ‘Persoonsgebonden budget’ van deze Beleidsregels.
Ook rust op het college de plicht om de cliënt te wijzen om gebruikmaking van onafhankelijke cliëntondersteuning. Het betreft maatschappelijke ondersteuning die het college verplicht moet treffen (art. 2.2.4 aanhef lid 1 en onder a van de wet). Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 lid 1 van de wet). Cliëntondersteuning heeft dus niet alleen betrekking op de Wmo 2015.
Cliëntondersteuning heeft een preventieve functie en kan een beroep op (zwaardere vormen van) ondersteuning voorkomen. Veel cliënten zullen zeer goed in staat zijn om zelf informatie te vergaren en eventueel zelf in staat zijn te beoordelen of de inhoud van het verslag van het college aansluit bij wat ze nodig hebben. Sommige cliënten zullen een familielid of iemand uit hun netwerk vragen om mee te denken. Deze personen kunnen ook aanwezig zijn, dan wel door het college worden uitgenodigd aanwezig te zijn bij het onderzoek. In die gevallen zal cliëntondersteuning niet nodig zijn.
Het college kan de cliënt bijvoorbeeld verwijzen naar MEE, indien en zolang cliëntondersteuning bij deze organisatie is ingekocht. Verder is het zo dat patiëntenverenigingen of andere belangenorganisaties beschikken over vrijwilligers of beroepskrachten die als cliëntondersteuner kunnen optreden. Een cliëntondersteuner kan ook een professional zijn in dienst van een welzijnsinstelling, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker.
Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de hulpvraag wijst het college erop dat gebruik kan worden gemaakt van cliëntondersteuning.
Verder moet het college er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt handelen.
Naast de verplichting de cliënt bij de melding te wijzen op het indienen van een persoonlijk plan en cliëntondersteuning maakt het college de cliënt ook attent op de mogelijkheid gebruik te maken van een anoniem luisterend oor en advies (telefonisch of elektronisch). Het betreft maatschappelijke ondersteuning die het college verplicht moet treffen (art. 2.2.4 aanhef lid 1 en onder b van de wet). Het betreft een landelijke regeling, welke door de VNG is ingekocht. Met ingang van 1 januari 2018 neemt het Rijk de verantwoordelijkheid voor de financiering van de drie voorzieningen (Kindertelefoon, Sensoor, en Stichting Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg). Hiermee is de continuïteit van de dienstverlening van deze voorzieningen voor de komende jaren gewaarborgd.
Er kunnen zich situaties voordoen waarin de cliënt die zich meldt, gelet op een spoedeisend karakter, niet kan wachten tot het college onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het gaat om doorgaans onvoorziene situaties die geen uitstel dulden qua het ondernemen van actie. Het ligt op de weg van de cliënt om het spoedeisende karakter aannemelijk te maken en zonodig nader te onderbouwen. Vervolgens ligt het op de weg van het college om zo nodig onverwijld een maatwerkvoorziening in zetten alvorens dus het onderzoek te doen. Welke termijn onder onverwijld wordt verstaan kan niet nader worden gedefinieerd. Het kan terstond zijn maar ook binnen bijvoorbeeld twee weken na de melding.
Gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor beschermd wonen. Het gemeentelijke budget voor beschermd wonen wordt overgeheveld naar de centrumgemeente Doetinchem. Beschermd wonen is - net als opvang - in principe landelijk toegankelijk. Een cliënt met een indicatie voor beschermd wonen (of een aanvraag die daartoe strekt) heeft net als elke Nederlander een vrije keuze om een woongemeente te kiezen. Zie ook artikel 1.2.1, eerste lid onder b van de wet (zie onder c voor opvang). De Wmo 2015 kent het begrip centrumgemeente niet. Daarom is intergemeentelijke samenwerking noodzakelijk.
De middelen voor beschermd wonen (en ook van opvang) worden vanaf 1 januari 2020 verdeeld over alle gemeenten volgens een nieuw objectief verdeelmodel beschermd wonen (al dan niet geïntegreerd met opvang). Tot die tijd is er sprake van een overgangsfase en vindt de uitkering nog plaats aan centrumgemeenten. Voor de gemeente Montferland treden de gemeente Doetinchem (beschermd wonen) en Arnhem (vrouwen opvang) op als zogeheten centrumgemeenten.
Voor wat betreft beschermd wonen wordt verwezen naar de Beleidsregels ‘Beschermd Wonen gemeente Montferland 2018’.