Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.1

Inleiding

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2018

Verordening: artikel 4.1 De Wmo 2015 voorziet in belangrijke waarborgen voor het uitvoeren van een goed onderzoek naar de ondersteuningsbehoeften van mensen. Van het college wordt verwacht dat zij dit onderzoek uitvoeren in goede samenspraak met de mensen om wie het gaat en dat zij samen met betrokkenen komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening. De Wmo 2015 voorziet daarom in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek moeten worden meegenomen. Dat is bepaald in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet. Zie verder hoofdstuk 2 ‘Procedure’ van deze Beleidsregels. Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Montferland komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. Hiermee wordt bepaald dat de cliënt die geen hoofdverblijf (woonplaats) heeft in de gemeente geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening. De cliënt zal bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met zijn/haar (te verwachten) beperkingen. Verwezen wordt naar de begripsbepaling van hoofdverblijf in de Verordening. Het regresrecht, opgenomen in artikel 2.4.3. van de Wmo 2015, stelt gemeenten in staat om de kosten voor Wmo-voorzieningen te verhalen op een derde bij wettelijke aansprakelijkheid voor een ongeval dat tot de beperkingen heeft geleid. De VNG en het Verbond van Verzekeraars hebben sinds 2015 een overeenkomst waarmee verzekeraars het regresrecht hebben afgekocht. De gemeente ontvangt een bedrag gebaseerd op het aantal inwoners. Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is de eigen kracht van de cliënt. Daaronder wordt in het algemeen dat verstaan wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De betrokkene zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is onder de Wmo 2015 echter niet verplicht. Tijdens het onderzoek wordt dit onderwerp wel met de cliënt besproken. Het college beoordeelt ook of de cliënt met gebruikmaking van voor hem te achten algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn beperkingen kan oplossen of verminderen, zie ook artikel 4.3 lid 2 aanhef en onder a van de Verordening en de toelichting daarop. In Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en zo ja in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich meebrengt. In de Verordening is bepaald wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan. Het college bespreekt samen met de cliënt die maatschappelijke ondersteuning nodig heeft wat redelijk is ook in het kader van deze Beleidsregels. Zie verder hoofdstuk 4 ‘Gebruikelijke hulp’ van deze Beleidsregels. Een mantelzorger kan een huisgenoot zijn, maar dat hoeft niet. Mantelzorg gaat verder dan gebruikelijke hulp. Mantelzorg is de hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Het verlenen van mantelzorg is vrijwillig, maar voelt vaak als een vanzelfsprekendheid. Zie verder hoofdstuk 5 ‘Mantelzorg’ van deze Beleidsregels. Cliënten kunnen het moeilijk vinden om een ander te vragen iets voor hen te doen terwijl mensen in het netwerk best bereid (kunnen) zijn iets voor een ander te betekenen, maar weten niet hoe ze dat moeten aankaarten. Dit is ook onderwerp van het onderzoek, waarbij het college kan ondersteunen in het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het onderzoek. Het college is gehouden algemene voorzieningen te treffen ter bevordering van de zelfredzaamheid en participatie die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het Beleidsplan over het te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Daarbij wordt ook benadrukt dat een algemene voorziening in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening. Of dit in een individueel geval ook zo is, onderzoekt het college indien door of namens een betrokkene een melding is gedaan met de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 lid 1 van de wet). Algemene voorzieningen worden getroffen door het college en zijn, zoals ook blijkt uit de definitie, laagdrempelig toegankelijk. Dit neemt niet overigens weg dat het college algemene voorzieningen kan treffen die bestemd zijn voor burgers met specifieke persoonskenmerken, bijvoorbeeld ouderen. Voorbeelden van algemene voorzieningen kunnen zijn: Maaltijdservice; Vrijwilligers die beschikbaar en geschikt zijn om de cliënt te ondersteunen bij bijvoorbeeld het doen boodschappen (in plaats van gebruikmaking van de boodschappendienst), vervoer en/of deelname aan activiteiten; Inloop (dagbesteding), bijvoorbeeld de ‘Stadskamer’ en ‘De Omslag’(Welcom). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Bij het onderzoek moet het college bij de cliënt informeren of hij op andere terreinen binnen het sociale domein zorg, ondersteuning of diensten ontvangt. De eventueel toe te kennen maatwerkvoorziening wordt daar, als daartoe aanleiding is, op afgestemd. Doel is te komen tot een zo goed mogelijk op elkaar afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel