In artikel 4.3 lid 2 van de Verordening zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten.
In de lijn met de jurisprudentie die onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en Wmo 2007 tot stand is gekomen is het college ook onder de Wmo 2015 niet gehouden voorzieningen te verlenen die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen (vergelijk CRVB:2009:BK5657, CRVB:2010:BN1265, CRVB:2015:87 en RBSGR:2011:BQ5651). Verwezen wordt naar de begripsbepaling in de Verordening.
Deze bepaling heeft dan ook als doel te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze:
normaal in de handel verkrijgbaar is; en
niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en
niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten.
Het is ter beoordeling aan het college of er sprake is van een voorziening die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt behoort. Hierbij is het inkomen van de cliënt in principe niet van belang (vergelijk RBARN:2012:BX8032).
De drie hiervoor genoemde bepalingen hebben betrekking op het oordeel van het college of de voorziening algemeen gebruikelijk is. In Bijlage 2 van deze Beleidsregels is een niet-limitatief aantal algemeen gebruikelijke voorzieningen opgenomen. Er zijn dan ook meer voorbeelden denkbaar. Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen maatschappelijke normen.
In het individuele geval gaat het om de vraag of de voorziening voor de persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk is. Eenvoudig gezegd: past het naar geldende maatschappelijke normen voor de persoon van de cliënt binnen zijn normale bestedingspatroon. Het college beoordeelt de vragen in hun onderlinge samenhang. Het enkele feit dat een voorziening normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat dit voor de cliënt als aanvrager ook zo is.
Bij de toepassing van deze bepaling moet op het moment van de aanvraag het primaire doel daarvan steeds in ogenschouw worden genomen. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verlenen van de voorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke voorziening door een vergelijkbaar persoon zonder beperkingen.
Verder wordt nadrukkelijk opgemerkt dat de beoordeling niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de cliënt niet zonder meer een fiets met hulpmotor zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke voorziening voor hem/haar kan zijn. Fietsen met hulpmotor zijn - in principe - algemeen gebruikelijk voor personen die ouder zijn dan 16 jaar. Een fiets met hulpmotor is vergelijkbaar met een brommer, ook qua kosten (CRVB:2010:BN1265).
In de Wmo 2015 neemt de wetgever het standpunt in dat voor zaken, die naar hun aard algemeen gebruikelijk worden geacht, er geen rol is voor het college deze onder maatschappelijke ondersteuning te scharen. Een voorbeeld is de eenvoudige rollator. Aangenomen wordt dat de aanleiding van dit standpunt gelegen is in het feit dat eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen sinds 1 januari 2013 niet meer tot de verzekerbare aanspraken behoren. Uit de toelichting bij die wijziging blijkt dat verzekerden namelijk ook zelf een verantwoordelijkheid hebben en dat zij zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, zelf worden geacht te kunnen dragen.
Het toepassen van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene gebruikelijke voorzieningen worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als zij (technisch) zijn afgeschreven; dat is voorzienbaar. Daaruit kan worden afgeleid dat een onverwachtse noodzakelijke aanschaf of vervanging mogelijk niet als algemeen gebruikelijk voor de cliënt kan worden beschouwd.
In het kader van de beoordeling of een aangevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is, kan onder omstandigheden betekenis toekomen aan het gegeven dat op grond van een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder een verbintenis uit overeenkomst) aanspraak op de voorziening kan worden gemaakt. Het college kan in die gevallen verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is algemeen gebruikelijk om te doen en valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager (vergelijk CRVB:2011:BQ4115).
Het zogenoemde calamiteitenprincipe kan een uitzondering vormen op de hoofdregel. Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een voorziening en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een omstandigheid zijn waarom een algemeen gebruikelijke voorziening voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is.
Het uitgangspunt in ogenschouw genomen dat geen voorzieningen worden verleend die algemeen gebruikelijk zijn voor de persoon als de cliënt, geldt dat, als sprake is van renovatie, (woon)voorzieningen in beginsel worden geweigerd. Dat is op zich ook logisch immers voor personen met en zonder beperkingen geldt dat voorzieningen na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Renovatie heeft betrekking op het verlenen van voorzieningen die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). Voorbeelden zijn keukens, natte cel, et cetera. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning Montferland 2018 worden de afschrijftermijnen van een aantal voorzieningen genoemd.
Het begrip meerkosten hangt nauw samen met het begrip algemeen gebruikelijk. Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een voorziening die voor een persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk zijn, kunnen soms toch voor verlening in aanmerking komen. Het gaat dan om kosten die personen zonder beperkingen per definitie niet hebben. Voorbeelden hiervan zijn:
De aanpassingen aan een bakfiets die eventueel nodig zijn voor het vervoer speciale zitkuip.
Geveerde zijwielen aan een fiets.
Bijzondere fixatiemiddelen in een reguliere autostoel voor kinderen.
Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar (zie bijlage 2).
De cliënt mag een Pgb niet besteden aan een voor de persoon als de cliënt aan te merken algemeen gebruikelijke voorziening (art. 6.1 lid 3 onder a van de Verordening).
Hoofdstuk 3
Artikel 3.3
Beperkende criteria aanspraak
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2018