Een maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf adequaat te ondersteunen. Het college houdt daarbij rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Dat betekent dat de cliënt (tijdelijk) aangewezen kan zijn op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Dat is respijtzorg. Denk bijvoorbeeld aan logeren, individuele- of groepsondersteuning of hulp bij het huishouden. De maatwerkvoorziening als respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend. Daarvoor is overigens een bijdrage in de kosten verschuldigd, tenzij de Verordening of het Besluit anders bepalen. Respijtzorg moet worden onderscheiden van:
de ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en
de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de hulpvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek (het gesprek) plaatsvindt. Het ligt niet voor de hand dat deze situaties snel zullen leiden tot het verlenen van een maatwerkvoorziening.
Tijdens het gesprek onderzoekt het college de mogelijke behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger(s) van de cliënt. Dat behoort tot de wettelijke de opdracht. Zie verder hoofdstuk 2 De procedure van deze Beleidsregels.
Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Dit kan pas nadat gebleken is dat inzet vanuit het voorliggend veld niet toereikend is. Van cliënt en mantelzorger wordt in principe verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning van een medewerker van het sociaal team) onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kunnen hier ook een rol in spelen. Ook het ondersteuningsaanbod vanuit het Steunpunt Mantelzorg kan ingezet worden om overbelasting te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn: gesprekken met de mantelzorgconsulent, lotgenotencontact, mantelzorgmaatjes en het trainingsaanbod voor mantelzorgers.
De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden hierbij altijd meegewogen bij het gesprek met de cliënt. Inzet van respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. In geval de mantelzorger persoonlijke verzorging, als bedoeld in de Zvw, biedt kan het college verlangen dat daar een aanvraag voor wordt gedaan. Persoonlijke verzorging op grond van de Zvw kan door de zorgverzekeraar in natura of als Pgb worden toegekend. Een indicatie wordt gesteld door de wijkverpleegkundige. Hiermee kan het verstrekken van een maatwerkvoorziening worden voorkomen.
Ongeveer een kwart van de Nederlandse kinderen groeit op in een gezin waarin sprake is van ziekte of beperking van een gezinslid. Te denken valt aan: een depressieve vader, een lichamelijk gehandicapte broer of een zus met een verslavingsproblematiek. In deze gevallen spreken we van ‘jonge mantelzorgers’. Deze kinderen lopen een risico op overbelasting. Ter ondersteuning van jonge mantelzorgers zijn er algemene voorzieningen zoals lotgenotencontact (Steunpunt Mantelzorg), KOPP-groepen (GGNet) en een maatjesproject (Welcom).
Mantelzorgers rondom mensen met een ernstige psychische beperking lopen een verhoogd risico op overbelasting. Het is daarom extra belangrijk om hierbij zorgvuldig de draagkracht mee te wegen. Ter ondersteuning van deze mantelzorgers heeft GGNet een preventief aanbod bestaande uit gesprekken, lotgenotencontact en een cursusaanbod. Daarnaast kan de persoon aan wie mantelzorg verleend wordt, gestimuleerd worden om deel te nemen aan de Stadskamer. Deze algemene voorziening kan fungeren als ontlasting van de mantelzorger.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.2
Respijtzorg
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2018