Om voor subsidie in aanmerking te komen, zet de houder in de aanvraag uiteen op welke wijze het voorschoolse ontwikkelaanbod bijdraagt aan het welzijn van de peuters en bij hun ontwikkelmogelijkheden. Hiertoe worden door de aanvrager, in aanvulling op artikel 5 lid 2 ASA 2013, in ieder geval de volgende stukken overgelegd:
indien er op een kindercentrum waarvoor subsidie wordt aangevraagd, door de toezichthouder één of meer overtredingen zijn geconstateerd van de belangrijkste voorwaarden voor de wettelijke basiskwaliteit van kindercentra, bedoeld in artikel 8.3 van deze regeling: gegevens en documenten waaruit blijkt dat en binnen welke termijn deze overtredingen zijn respectievelijk worden hersteld en hoe deze overtredingen in het vervolg worden voorkomen;
afschriften van diploma’s en certificaten waaruit blijkt dat de beroepskrachten voorschoolse educatie voldoen aan de Amsterdamse taalnorm voor voorschoolse educatie;
afschriften van diploma’s en certificaten waaruit blijkt of dan wel in hoeverre de beroepskrachten voorschoolse educatie voldoen aan de Amsterdamse norm voor startbekwaamheid;
informatie waaruit blijkt dat de houder beschikt over de ervaring en expertise om de activiteiten zoals beschreven in artikel 4 uit te voeren;
een plan waaruit blijkt hoe de subsidie wordt ingezet om de Amsterdamse kwaliteitsvoorwaarden op organisatieniveau te realiseren en te borgen, waarbij in ieder geval de volgende elementen aan de orde komen:
visie en beleid op voorschoolse educatie binnen een groep met zorgkinderen;
stimuleren van ouderbetrokkenheid;
realiseren van een rijke speelleeromgeving; en
de samenwerking met andere partners op het gebied van educatie, zorg en participatie, zoals de samenwerking met MOC bij de MOC/VVE groep.
Hoofdstuk 3
Artikel 7