Naar hoofdinhoud
1.. Een lokale vervoersvoorziening in het kader van de Wmo is gericht op sociaal-recreatief gebruik. Voor alle andere vervoersdoelen, zoals woon-werkverkeer en zakelijk verkeer zijn vervoersvoorzieningen in het kader van de Wmo uitgesloten 2.. Het gebruik van het collectief (openbaar) vervoer heeft het primaat als dit de cliënt, naar het oordeel van het college, in voldoende mate in staat stelt tot participatie; 3.. Bij het bepalen van de vervoersbehoefte wordt rekening gehouden met een lagere behoefte vanwege: intramuraal verblijf in een instelling een samenvallende vervoersbehoefte een beperkte vervoersbehoefte andere aanwezige vervoersvoorzieningen 4.. Een vervoersvoorziening wordt geweigerd indien cliënt: In het bezit is van een auto die hij gebruikt; Bij het gebruik van de auto geen problemen ondervindt; De auto voorziet in de lokale vervoersbehoefte. 5.. Indien cliënt een regiotaxipas krijgt toegewezen, kan het college het gebruik hiervan beperken tot een maximum aantal zones per jaar; 6.. Indien cliënt geen gebruik kan maken van het collectief (openbaar) vervoer of een eigen auto zijn de volgende voorzieningen mogelijk, afhankelijk van de afstandsdoelen (niet limitatief): Taxi individueel; Rolstoeltaxi; Scootmobiel; Autokosten (bruikleen); Driewielfiets 7.. Indien sprake is van vervoersbehoeften met diverse afstandsdoelen is een combinatie van vervoersvoorzieningen mogelijk, waarbij wordt gekozen voor de meest voordelige adequate voorziening.

Rechtspraak bij dit artikel