Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 2

Artikel 26.

Algemene uitgangspunten en werkwijze bij verlening van bijzondere bijstand

Onderdeel van Tekstplaatsing van de Verzamelbeleidsregels 2018 Participatiewet, IOAW en Bbz, bekendgemaakt 28 december 2017, gmb 2017-233824

Bij het beoordelen en het verlenen van bijzondere bijstand worden in ieder geval de volgende uitgangspunten en werkwijze gehanteerd: De bijstand wordt in beginsel verleend op basis van de informatie die de belanghebbende verstrekt. Hierbij wordt verondersteld dat die informatie juist en volledig is totdat anders is gebleken. Controles vinden steekproefsgewijs plaats en ten onrechte verleende bijzondere bijstand kan worden teruggevorderd. Bij de bijstandsverlening wordt de goedkoopst adequate voorziening passend geacht. Voor een aantal kostensoorten gelden genormeerde bedragen. Deze bedragen zijn vermeld op de verstrekkingenlijst die deel uitmaakt van deze beleidsregels. Het verlenen van bijstand leidt in beginsel niet tot doorkruising van het beleid van voorliggende voorzieningen. De kosten van een wettelijke eigen bijdrage bij een voorliggende voorziening worden geacht uit de bijstandsnorm of een daarmee gelijk te stellen inkomen te kunnen worden voldaan, tenzij sprake is van een samenloop van meerdere en noodzakelijke geachte eigen bijdragen. De eigen kracht en de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende staan centraal. De belanghebbende neemt zijn verantwoordelijkheid en verzekert zich adequaat. Dat houdt in dat naast de verplichte basisverzekering een aanvullende verzekering en een tandverzekering is afgesloten, die ten minste gelijk is aan de door het college aangeboden midden-variant van de collectieve aanvullende zorgverzekering. In beginsel wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor kosten waarvoor de belanghebbende zich toereikend kan of had kunnen verzekeren.

Rechtspraak bij dit artikel