In aanvulling op artikel 1, tweede lid, van deze beleidsregels wordt in deze paragraaf verstaan onder:
beslagvrije voet: het deel van het inkomen waarop geen beslag gelegd mag worden, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
bruteren: het verhogen van de vordering met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten als bedoeld in artikel 58, vijfde lid, van de PW en artikel 25, vijfde lid, van de IOAW en IOAZ;;
draagkracht: dat deel van het inkomen dat de belanghebbende geacht wordt te kunnen aflossen aan een vordering waarbij rekening is gehouden met de wettelijke bepalingen omtrent de beslagvrije voet zoals vermeld onder a;
inlichtingenplicht: de verplichting als genoemd in artikel 17, eerste lid, van de PW, artikel 13, eerste lid van de IOAW/IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet Structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen (Wet Suwi);
niet-verwijtbare vordering: vordering die is ontstaan doordat in een bepaalde periode te veel of ten onrechte uitkering is verleend, zonder dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalatigheid van de belanghebbende zelf;
signaal: relevante informatie van de belanghebbende die een uitkering ontvangt waaruit het college concreet kan afleiden dat sprake is van een dusdanige fout dat op grond daarvan direct actie moet worden ondernomen om de uitkering aan te passen;
verwijtbare vordering: vordering die ontstaan doordat in een bepaalde periode te veel of ten onrechte uitkering is verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht of anderszins het gevolg van is verwijtbaar handelen of nalatigheid van de belanghebbende.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 1
Artikel 32.
Aanvullende begripsbepalingen
Onderdeel van Tekstplaatsing van de Verzamelbeleidsregels 2018 Participatiewet, IOAW en Bbz, bekendgemaakt 28 december 2017, gmb 2017-233824