Naar hoofdinhoud
Het is de medewerker verboden een nevenwerkzaamheid te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Het in het eerste lid bedoelde verbod is in elk geval van toepassing, indien: de medewerker niet-openbare informatie, waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikt, kan gebruiken ten behoeve van personen of instanties die van het provinciaal bestuur of van een besluit van het provinciaal bestuur afhankelijk zijn op het gebied waarop die functie betrekking heeft; de medewerker niet-openbare informatie kan gebruiken ten behoeve van personen of instanties die activiteiten verrichten die in strijd kunnen komen met het provinciaal beleid op het gebied van die functie; de nevenwerkzaamheid de beschikbaarheid voor de vervulling van zijn functie vermindert. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder het stellen van voorschriften aan de manier waarop de nevenwerkzaamheid wordt verricht. Indien de medewerker geen directeur is, kan de directeur namens Gedeputeerde Staten ontheffing van het verbod verlenen. Bij verlening van een ontheffing, bedoeld in het derde lid, worden de voorschriften aan de medewerker bekendgemaakt en in de in artikel 4 bedoelde dossiers vermeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel