Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2:28A

Exploitatie openbare inrichting

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2018

1.. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning indien: de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; de exploitant of beheerder van slecht levensgedrag is; naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 3.. De burgemeester kan de vergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 4.. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting: in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover: de activiteiten van de openbare inrichting ondergeschikt zijn aan de winkelactiviteit; de openbare inrichting maximaal 20% van het totale overdekte en omsloten brutovloeroppervlak bedraagt met een maximum van 150 m² winkelvloeroppervlak of 200 m² brutovloeroppervlak; voor de openbare inrichting dezelfde sluitingstijden gelden als voor de winkel; de openbare inrichting tijdens openingsuren van de winkel openbaar toegankelijk is; de toegang tot de openbare inrichting uitsluitend via de hoofdingang van de hoofdactiviteit te bereiken is; in een zorginstelling, uitvaartcentrum, kerk of ziekenhuis; in een museum of bibliotheek; een bedrijfskantine of -restaurant; waarvoor tevens op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet een vergunning is verleend; bij sportverenigingen en instellingen belast met het beheer van buurt- en clubhuizen; op de luchtzijde (airside) van Luchthaven Schiphol. 5.. De exploitatievergunningplicht is altijd van toepassing op coffeeshops. 6.. De burgemeester is bevoegd om in het belang van de openbare orde en veiligheid en bij onevenredige overlast het vierde lid voor een individuele openbare inrichting buiten toepassing te verklaren. 7.. Het college kan, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en het voorkomen van overlast, nadere regels stellen ten behoeve van de exploitatie van openbare inrichtingen. 8.. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel