Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › AFDELING 8

Artikel 2:28

Exploitatie openbare inrichting

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Soest

1.. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitanten / leidinggevenden van de openbare inrichting: de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt; in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; onder curatele staan. 4.. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, indien: naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften. 5.. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover sprake is van een mengformule als bedoeld in het ‘Retailbeleid 2016-2026’ en het parapluplan ‘Retail en Nota parkeernormen auto en fiets 2017’; ten behoeve van deze openbare inrichtingen mag geen terras worden geëxploiteerd; een zorginstelling; een museum; of een bedrijfskantine of -restaurant. 6.. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, indien zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, dan wel de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede, derde of vierde lid.Deze vrijstelling geldt uitdrukkelijk niet voor een bij de openbare inrichting behorend terras; hiervoor blijft een vergunning vereist. 7.. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het zesde lid onder a. 8.. In afwijking van het hiervoor in lid 2 en lid 5 sub a bepaalde, is de voorwaarde, dat er geen terras mag worden geëxploiteerd, niet van toepassing voor die exploitanten die ten tijde van de vaststelling van deze APV reeds onder de hiervoor genoemde mengformule vallen én een terras exploiteren. Voor dit terras dient wel een vergunning als bedoeld in het eerste lid te worden aangevraagd. 9.. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het zesde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel