Dit artikel handelt over het ontslag van de leden en over de mogelijkheid (of soms verplichting) hen in bepaalde situaties op non-actief te stellen.
Bij de aanvaarding van een functie zoals bedoeld in artikel 5, lid 2, punt c, past de verwijzing naar artikel 81f Gemeentewet dat grotendeels ook van toepassing is op de rekenkamercommissie:
Artikel 81f
1. Een lid van de rekenkamer is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman;
g. commissaris van de Koning;
h. lid van gedeputeerde staten;
i. griffier der staten;
j. lid van de raad (volgens artikel 81oa niet van toepassing voor een rekenkamercommissie);
k. burgemeester van de betrokken gemeente;
l. wethouder van de betrokken gemeente;
m. lid van een deelraad van de betrokken gemeente;
n. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente van de betrokken gemeente;
o. lid van een commissie van de betrokken gemeente (volgens artikel 81oa niet van toepassing voor een rekenkamercommissie);
p. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt;
q. ambtenaar, door of vanwege het Rijk of de provincie aangesteld, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op de gemeente;
r. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het gemeentebestuur van advies dient.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder p, kan een lid van de rekenkamer tevens zijn:
a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
c. ambtenaar, werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.