1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014.
2. Met ingang van 1 januari 2014 worden ingetrokken:
de Regeling keuzemodel arbeidsvoorwaarden;
de Regeling vergoeding reiskosten woon-werkverkeer op basis van het keuzemodel arbeidsvoorwaarden;
de Regeling verstrekking van een fiets op basis van het keuzemodel arbeidsvoorwaarden;
de Regeling onkostenvergoeding gebruik eigen auto voor het werk;
de Regeling dienstreizen.
TOELICHTING
Artikel 1.1
Deze bepaling definieert veel voorkomende begrippen in deze regeling. Dit voorkomt een volledige omschrijving van deze begrippen bij de afzonderlijke bepalingen en bevordert daarmee de leesbaarheid van deze regeling.
Artikel 1.2
Dit artikel voorkomt in het eerste lid een wildgroei aanvragen. De werkgever streeft naar één digitaal loket voor het indienen van aanvragen op grond van deze regeling en stroomlijnt daarmee de aanvragen. Dit artikellid verplicht de werknemer van dit digitaal loket gebruik te maken. Zolang het digitaal loket nog niet helemaal is ingericht zal de werkgever de fysieke formulierenstroom zoveel mogelijk beperken.
Het tweede lid van dit artikel legt vast dat de werknemer verplicht is om alle gegevens te verstrekken die nodig zijn om het recht op declaratie of deelname aan het keuze te kunnen vaststellen. Bij het niet nakomen van deze verplichting kan de werkgever gebruik maken van de rechten van terugvordering of verrekening (zie artikel 5.1 van deze regeling).
Het derde lid regelt dat de werkgever een aanvraag die in strijd is met wettelijke voorschriften of deze regeling, afwijst.
Artikel 1.3
Dit artikel regelt algemene verplichtingen van de werknemer en de werkgever.
Het eerste lid regelt de algemene verplichting van de werkgever om de werknemer over alle bedragen die hij op grond van deze regeling vaststelt, te informeren. Het gaat onder meer om de vergoedingen voor de declarabele kosten (hoofdstuk 2) , de hoogte van het persoonsgebonden budget (artikel 3.4), de maximale bedragen voor de inzet van bronnen (artikel 3.6), en de kilometervergoeding woon-werkverkeer, die voor het keuzemodel van toepassing is.
Het tweede lid regelt een algemene inlichtingenverplichting van de werknemer. Als de werknemer niet aan deze algemene verplichting voldoet verliest hij het toegekende recht op declaratie, deelname aan het keuzemodel of de bruikleenregeling. In dat geval treden gevolgen van terugvordering en/of verrekening in werking (zie artikel 5.1 van deze regeling).
Het derde lid regelt de algemene verplichting van de werkgever om de werknemer in te lichten over de fiscale verplichtingen die aan op grond van deze regeling toegekende rechten verbonden zijn. De werknemer is vervolgens deze fiscale verplichtingen na te leven. Voorbeeld is de verplichting tot zakelijk gebruik van een ter beschikkingen gestelde zaak als een dienstauto. Gebruikt de werknemer de dienstauto voor privédoeleinden dan is de werknemer aansprakelijk voor de fiscale gevolgen, die de werkgever daarvan ondervindt (zie artikel 5.1, derde lid van deze regeling).
Artikel 2.1
Dit artikel regelt dat de declaratieregeling van toepassing is op iedereen die op grond van de CAR is aangesteld. Daarnaast biedt het de mogelijkheid om de regeling van toepassing te verklaren op personen, die op een andere grondslag dan die van de CAR zijn aangesteld. Dit laatste is afhankelijk van de voorwaarden van inhuur van personeel.
Artikel 2.2
Dit artikel regelt in het eerste lid dat de werknemer alleen kosten kan declareren waarvoor een wettelijke basis bestaat. Dit kan zijn een landelijke wettelijke regeling of deze regeling.
Het tweede lid beschrijft de kostensoorten die de werkgever vergoedt. Op grond van artikel 1.3, eerste lid van deze regeling is de werkgever verplicht de bedragen voor de vergoeding van deze kostensoorten bekend te maken.
Het derde lid regelt dat de loonbelasting die over het belaste deel van de reiskosten verschuldigd is wordt ingehouden bij de werknemer.
Artikel 2.3
Onder een dienstreis verstaat deze regeling een reis in Nederland door de werknemer, in opdracht van de werkgever, in het kader van zijn werkzaamheden. De reis moet worden gemaakt omdat hij aanwezig moet zijn op een plek buiten de plek waar hij gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.
Reiskosten in het buitenland zijn niet declarabel. Dienstreizen van werknemers naar het buitenland koopt de gemeente vooraf in.
Voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten geldt dat de plaats van tewerkstelling het beginpunt en het eindpunt is van de dienstreis.
Voor een werknemer die toestemming heeft om een opleiding te volgen, gelden de bepalingen in dit artikel onverkort. Een opleiding kan zich uitstrekken van één dag tot een bepaald aantal dagen die de organisator van de cursus vooraf heeft bepaald. De werkgever vergoed de reiskosten die daaraan zijn verbonden volgens het bepaalde in dit artikel.
Op dit moment (2013) is de reiskostenvergoeding tot € 0,19 per kilometer onbelast. Voor werknemers die een reiskostenvergoeding op grond van de reisregeling Binnenland ontvangen van op dit moment (2013) € 0,37 per kilometer geldt, dat de werkgever over € 0,18 loonbelasting inhoudt.
Artikel 2.4
Onder noodzakelijke verblijfskosten in het belang van de gemeente Assen worden verstaan, kosten die gemaakt voor een verblijf waarbij het doel van daarvan in de lijn van de normale uitoefening van de functie van de werknemer ligt. De tijd die de werknemer functioneel elders door moet brengen is maatgevend voor de bepaling van de duur van de dienstreis.
Verblijfskosten worden uiteindelijk vergoed tot de naar het oordeel van de leidinggevende in redelijkheid gemaakte werkelijke kosten.
De in verband met een dienstreis noodzakelijk gemaakte kosten voor maaltijden, logies en voor kleine uitgaven overdag en 's avonds worden vergoed op basis en met toepassing van de bedragen zoals vastgelegd in artikel 5 van de reisregeling Binnenland.
Artikel 2.5
Een veelrijder maakt vrijwel dagelijks gebruik van zijn eigen voertuig voor de dienst van de werkgever. Alle ritten maakt hij in de normale uitvoering van zijn functie.
Het maximaal toegestane onbelaste vergoedingsbedrag per kilometer bedraagt € 0,19 volgens de huidige richtlijnen van de Belastingdienst. De vergoeding die bovenop dit bedrag wordt verstrekt, wordt belast uitgekeerd.
Op dit moment (2013) is de reiskostenvergoeding tot € 0,19 per kilometer onbelast. De werkgever houdt loonbelasting in voor zover hij meer dan deze € 0,19 betaalt. Bij een vergoeding van € 0,49 is dat over € 0,30 en bij een vergoeding van € 0,28 is dat € 0,09.
Artikel 3.1
Dit artikel regelt begin en eind van het recht op deelname aan het keuzemodel.
Artikel 3.2
Dit artikel bepaalt in het eerste lid de producten die een werknemer kan verkrijgen tegen inlevering van loonbestanddelen.
Het tweede lid regelt dat de werknemer eens per drie jaar een fiets mag uitruilen en de overige producten jaarlijks.
Het derde lid regelt dat de gemeente alleen de portable computers vergoedt die voldoen aan bepaalde technische en functionele eisen.
Het vierde lid regelt de keuze, die de werknemer kan maken voor een vergoeding voor de fiets in drie termijnen. Dit kan fiscaal voor de werknemer aantrekkelijk zijn.
Het vijfde lid spreekt voor zich en regelt het vergoedingsbedrag per jaar.
Artikel 3.3
Dit artikellid regelt de omvang van bestedingsruimte en de bronnen, die de werknemer kan inzetten voor de ruil van loon tegen producten.
Artikel 3.4
Dit artikel regelt de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget bij een volledige dienstbetrekking, een deeltijdbetrekking of een betrekking gedurende een deel van het belasting-jaar.
Artikel 3.5
Dit artikel regelt de waarde van een verlofuur van belang voor het aan en verkopen van verlofuren. Het tweede lid regelt de minimale waarde van een verlofuur gerelateerd aan het minimumloon.
Artikel 3.6
Dit artikel legt de beperkingen van de inzet van bronnen voor de ruil van loon voor producten.
De beperkingen in het eerste en tweede lid vloeien uit de fiscale wetgeving voort. Het vierde lid is van belang voor de werkgever. De producten bedrijfsfitness, vakbondscontributie, fiets, fietsverzekering, fietsaccessoires, portable computer en kerstattentie kan de werkgever alleen belastingvrij vergoeden als dat binnen het zogenaamde forfait voor belastingvrije vergoedingen blijft. Het is daarom nodig de inzet van bronnen voor deze producten te maximeren.
Artikel 3.7
Dit artikel regelt de redenen voor weigering van verkoop van verlofuren.
Artikel 3.8
Dit artikel regelt in het eerste lid het maximale bedrag dat de werknemer aan loon mag ruilen voor een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer. Het getal 214 is het aantal sv-dagen.
Het tweede lid bepaalt de reisafstand woon-werkverkeer.
Het derde lid regelt dat van de werkgever ontvangen reiskostenvergoeding(en) naast het salaris zoals bij verhuizing of bij veelrijders in aftrek komen.
Artikel 3.9
Dit artikel regelt de voorwaarden voor de renteloze geldlening voor portable computers en - als daarvoor gekozen wordt - voor fietsen.
Artikel 4.1
Dit artikel regelt dat de bruikleenregeling van toepassing is op iedereen die op grond van de CAR is aangesteld. Daarnaast biedt het artikel de mogelijkheid om de regeling van toepassing te verklaren op personen die op een andere grondslag dan die van de CAR zijn aangesteld. Dit laatste is afhankelijk van de voorwaarden van inhuur.
Artikel 4.2
Dit artikel regelt de duur van de bruikleenregeling en is van belang voor de toepassing van artikel 4.4 van deze regeling.
Artikel 4.3
Dit artikel regelt de verplichtingen van de werknemer als bruiklener van zaken die hem in bruikleen gegeven zijn (terbeschikkingstelling of verstrekking). Dit heeft twee doelen. In de eerste plaats het waarborgen dat de werknemer zorgvuldig met de in bruikleen gegeven zaak omgaat. In de tweede plaats het voorkomen dat de fiscus de gemeente verplicht tot betaling van loonbelasting omdat de werknemer de in bruikleen gegeven zaak ook voor privédoeleinden gebruikt. Dit speelt vooral bij dienstauto’s.
Artikel 4.4
Dit artikel spreekt voor zich. Het regelt de teruggave bij einde dienstverband, verwaarlozing van de zaak, het in strijd handelen met zijn verplichtingen als bruiklener of als hij de zaak niet meer nodig heeft voor de uitoefening van zijn functie.
Artikel 5.1
Dit artikel regelt in het eerste en tweede lid het terugvorderen van vergoedingen of in bruikleen verstrekte zaken. Ook regelt het de mogelijkheid om vergoedingen dan wel de restwaarde van zaken te verrekenen.
Het derde lid regelt het terugvorderen of verrekenen van de extra kosten van de werkgever als gevolg van het niet naleven van fiscale verplichtingen door de werkgever.
Artikel 5.2
Dit artikel regelt dat de werknemer zelf verantwoordelijk is voor de mogelijke gevolgen, die toepassing van deze regeling heeft voor zijn huidig en toekomstig inkomen.
Artikel 5.3
Deze specifieke overgangsregeling is nodig omdat de vergoeding van portable computers pas op 1 januari 2014 wordt ingevoerd.
Artikel 5.4
Dit is een gebruikelijke clausule bij toekenning van vergoedingen.
Artikel 5.6
Deze regeling spreekt voor zich. Met betrekking tot het onderdeel declarabele kosten volgt inwerkingtreding op een later tijdstip.
Hoofdstuk 1
Artikel 5.6
Intrekking en inwerkingtreding
Onderdeel van Werkkostenregeling gemeente Assen 2014