De artikelen 33 tot en met 36, alsmede 59 tot en met 65, van het BBV gaan in op de vaste activa. Als gevolg van het doen van investeringen ontstaan bezittingen, ofwel de vaste activa. Vaste activa worden naar hun aard in het BBV onderscheiden naar drie soorten:
Immateriële vaste activa
Materiële vaste activa
Financiële vaste activa
Immateriële vaste activa zijn die vaste activa waar geen fysieke bezittingen tegenover staan. Immateriële vaste activa komen slechts in uitzonderlijke gevallen voor. Op basis van artikel 34 van het BBV bestaan de immateriële vaste activa uit:
Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio;
Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief;
Bijdragen aan activa in eigendom van derden.
Aan het aangaan van geldleningen kunnen kosten verbonden zijn. Het (dis)agio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening wordt aangegaan en het bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd. De wetgeving biedt de mogelijkheid om deze kosten, gedurende looptijd van de lening, af te schrijven. Het BBV beveelt echter aan – vooral indien deze kosten gering zijn – deze niet af te schrijven, maar direct als last in de exploitatie te nemen.
Afspraak 1
De kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.
De kosten van onderzoek mogen volgens artikel 60 van het BBV alleen worden geactiveerd, indien:
Het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen;
De technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat;
Het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en
De uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.
In de toelichting op artikel 60 van het BBV wordt aangegeven dat alleen op basis van al deze voorwaarden de kosten kunnen worden geactiveerd en dat deze vervolgens in maximaal 5 jaar moeten worden afgeschreven.
In de verordening Financieel beheer Bloemendaal 2018 is vastgelegd dat deze kosten direct worden afgeschreven (ten laste van de exploitatie worden gebracht). In uitzonderlijke gevallen kan de raad altijd (voorafgaande aan het maken van de kosten) besluiten deze toch af te schrijven.
Afspraak 2
Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden direct ten laste van de exploitatie gebracht en bij uitzondering – indien geactiveerd – in maximaal 5 jaar afgeschreven.
Bijdragen in activa in eigendom van derden kunnen volgens artikel 61 van het BBV worden geactiveerd, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
Er is sprake van investering door een derde;
De investering bijdraagt aan de publieke taak;
De derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en
De bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.
Kern is derhalve dat het bij de bijdrage moet gaan om een investering die bijdraagt aan de publieke taak en dat de gemeente de derde partij kan verplichten daadwerkelijk te investeren en dat bij in gebreke blijven de gemeente de bijdrage kan terugvorderen of (mede)eigenaar worden van de investering.
De afschrijvingstermijn voor een dergelijke bijdrage kan gelijkgesteld worden aan de termijn waarop de gemeente een dergelijke investering zelf zou afschrijven.
Afspraak 3
Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden geactiveerd en de afschrijvingsduur is gelijk aan die van soortgelijke activa waar de gemeente zelf in heeft geïnvesteerd.
Materiële vaste activa zijn investeringen met een (meerjarig) economisch nut of investeringen met een maatschappelijk nut in de openbare ruimte. Alle materiële vaste activa moeten worden geactiveerd. Een uitzondering op deze regel vormen de kunstvoorwerpen met cultuurhistorische waarde (bijvoorbeeld een schilderij van een beroemd kunstenaar). Deze investeringen worden niet geactiveerd. Volgens artikel 35 van het BBV worden de materiële vaste activa onderscheiden in drie groepen, die ook afzonderlijk op de balans moeten worden opgenomen:
Investeringen met een economisch nut;
Investeringen met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven;
Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
Op basis van het vernieuwde BBV moet ook de laatste groep van investeringen – vanaf het begrotingsjaar 2017 – worden geactiveerd en mogen deze niet meer direct ten laste van de exploitatie worden gebracht.
Voorts is in het vernieuwde BBV in het kader van uniformiteit, transparantie en vergelijkbaarheid het zogenaamde netto activeren verplicht gesteld. Dit houdt in, dat bijdragen van derden in aftrek moeten worden gebracht op de investering. Het verrekenen van bijdragen uit reserves is met ingang van 2017 niet meer toegestaan. Wel is het mogelijk om vanuit de reserves een specifieke bestemmingsreserve te vormen die wordt ingezet om de afschrijvingslasten (en de eventueel toe te rekenen rente) te dekken.
Dit zijn investeringen die bijdragen aan de mogelijkheid middelen te verwerven en/of verhandelbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn investeringen in gebouwen, vervoermiddelen, installaties of automatisering. Maar ook investeringen op het terrein van afvalinzameling en – verwerking en riolering behoren tot deze groep. Deze laatste zijn investeringen die vallen in de categorie “Investeringen met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven”.
Dit betreft investeringen in de openbare ruimte, zoals wegen, bruggen en openbaar groen. Deze investeringen genereren geen middelen en er is geen markt voor. Het vernieuwde BBV bepaalt – in artikel 59 lid 1 – dat er geen keuze meer is om deze investeringen wel of niet te activeren. Activeren en vervolgens daarop afschrijven is nu een plicht.
Financiële vaste activa worden onderscheiden naar de volgende groepen:
Kapitaalverstrekkingen
Leningen (uitzettingen)
Deze activa vertegenwoordigen een financiële waarde of een bezit (aandelenkapitaal). Financiële vaste activa moeten altijd worden geactiveerd, maar worden – gezien hun aard – niet afgeschreven. Wel kan de waarde wijzigen doordat bijvoorbeeld op de leningen wordt afgelost.