Naar hoofdinhoud

Artikel 6:

Geheimhouding

Onderdeel van Regeling RegenboogRaad Nijmegen

1.. De voorzitter kan in een besloten vergadering op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de adviescommissie worden overgelegd, geheimhouding opleggen, zulks onverminderd de wettelijke bevoegdheid van het college tot het opleggen van geheimhouding. 2.. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen in acht genomen totdat de voorzitter haar opheft, dan wel in het geval de geheimhouding door het college is opgelegd door laatstgenoemde is opgeheven. 3.. Indien de adviescommissie zich ter zake van het behandelde waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot het college heeft gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat het college haar opheft. 4.. Op grond van het belang genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de voorzitter van een commissie, het college en de burgemeester, ieder ten aanzien van de stukken die zij aan de adviescommissie overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. 5.. De adviescommissie kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur geheimhouding opleggen ten aanzien van stukken die zij aan het college overlegt. Het bepaalde in artikel 55 van de Gemeentewet is van toepassing. 6.. In het geval van opheffing door de adviescommissie van het besloten karakter van een vergadering als bedoeld in artikel 5 lid 2, blijft de opgelegde geheimhouding over al hetgeen tijdens de besloten vergadering is verhandeld en/of in stukken is overgelegd in stand totdat conform onderhavig artikel de geheimhouding is opgeheven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel