Naar hoofdinhoud
1.. Het college of de andere organisatie verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2.. Voordat het gesprek plaatsvindt, verschaft de cliënt het college of de andere organisatie alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college of andere organisatie voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 3.. De cliënt verstrekt op verzoek van het college of de andere organisatie een identificatiedocument ter inzage als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, tenzij de spoedeisendheid zich hiertegen verzet. 4.. Als de cliënt voldoende bekend is bij de gemeente, kan het college of de andere organisatie in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste, tweede en/of derde lid. 5.. Het college of de andere organisatie brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om de hulpvraag schriftelijk te beschrijven in een persoonlijk plan en aan te geven welke mogelijke oplossingen volgens hem nodig zijn. 6.. Het college of de andere organisatie brengt de jeugdige en zijn ouder op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet op te stellen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel