Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar.
De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats.
Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld.
Bij een inkomen dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk 3 van de wet wordt geen aflossing gevergd.
Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager, dan wel hoger bedrag vast.
Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.
Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig en/of nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
Artikel 5
Aflossing eerste tien jaar
Onderdeel van Beleidsregels bijstandsverlening aan bezitters van een woning, woonschip of woonwagen Participatiewet Bloemendaal 2017