Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1 › Paragraaf 1.3

Artikel 9.

Voorziening voor oninbare vorderingen

Onderdeel van Financiële verordening 2018

1.. Voor openstaande vorderingen inzake belastingen en retributies wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd. Hiervoor wordt de volgende staffel gehanteerd: 3 jaar en ouder 100 % van het openstaande saldo, 2 jaar 85 % van het openstaande saldo, 1 jaar 35 % van het openstaande saldo, <1 jaar 2,4 % van de begrotingsopbrengst van het jaar. Waarvan het laatste percentage (voor posten < 1 jaar) jaarlijks bij de jaarrekening wordt berekend door het gemiddelde percentage van de werkelijk oninbaar geboekte vorderingen van de vijf jaar voorafgaand aan het laatste aanslagjaar te nemen. 2.. Voor openstaande vorderingen debiteuren sociale zaken (bijstandsverstrekking) wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid, met uitzondering van individuele vorderingen groter dan € 25.000, op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen, wordt 100 % van de openstaande debiteuren voorzien. 3.. Voor de niet in het eerste en tweede lid genoemde vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd voor 100 % van de openstaande posten ouder dan 3 jaar. Openstaande posten van het Rijk en andere overheden worden hierin niet meegenomen. Openstaande posten van > € 25.000 waarvan de incasso discutabel is, worden geheel opgenomen. Het % in lid 1 is aangepast van 2,6% naar 2,4% zodat deze beter aansluit bij de werkelijkheid

Rechtspraak bij dit artikel