Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 18

Verplichtingen van de bijstandsgerechtigde tot het (op)eisen van alimentatie

Onderdeel van Beleidsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Kampen

1.. Indien de bijstandsgerechtigde aanspraak kan maken op een wettelijke onderhoudsverplichting als bedoeld in boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, legt het college ingevolge artikel 55 van de wet de verplichting aan de bijstandsgerechtigde op, om: een bijdrage voor de kosten van levensonderhoud voor zichzelf en/of zijn ten laste komende kinderen van de onderhoudsplichtige te verkrijgen, zo nodig door tussenkomst van een rechter; betaling van een door de rechter opgelegde bijdrage voor de kosten van levensonderhoud voor zichzelf en/of zijn ten laste komende kinderen af te dwingen, zo nodig door het inschakelen van derden, zoals het LBIO of een deurwaarder. 2.. De verplichting als bedoeld in het eerste lid onderdeel a bevat in ieder geval de eis: dat de te verkrijgen bijdrage voor de kosten van levensonderhoud aantoonbaar wordt vastgesteld op basis van een recente draagkrachtberekening aan de hand van de geldende Trema-normen; dat het verzoek tot het verkrijgen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud niet eerder aan de onderhoudsplichtige of de rechter wordt voorgelegd, dan nadat dit ter goedkeuring aan het college is voorgelegd. 3.. Het college legt de in het eerste lid bedoelde verplichting niet eerder op, dan nadat het heeft onderzocht dat er naar verwachting enige draagkracht aanwezig is. 4.. Indien de verplichting als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van het college niet in redelijkheid aan de bijstandsgerechtigde opgelegd kan worden, kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 62 en 62b van de wet en artikel 3 van deze beleidsregels.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel