**1..** De aflossingscapaciteit bedraagt:
voor een uitkeringsgerechtigde, een bedrag dat overeenkomt met 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of uitkeringsnorm;
voor een niet-uitkeringsgerechtigde:
indien het een niet-fraude vordering betreft, een bedrag dat overeenkomt met 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of uitkeringsnorm, verhoogd met 50% van het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan eerdergenoemde bijstandsnorm of uitkeringsnorm;
indien het een fraude vordering, een opgelegde boete of een vordering wegens het onverantwoord interen op vermogen betreft, een bedrag dat overeenkomt met 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of uitkeringsnorm, verhoogd met 75% van het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan eerdergenoemde bijstandsnorm of uitkeringsnorm.
**2..** De op grond van het eerste lid vastgestelde aflossingscapaciteit wordt verhoogd met het aanwezige vermogen, voor zover dit vermogen de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid van de wet overschrijdt.
**3..** Indien tot dwanginvordering is of moet worden overgegaan, wordt de aflossingscapaciteit in afwijking van het eerste lid vastgesteld op het inkomen dat de beslagvrije voet overstijgt.
**4..** In afwijking van het eerste, tweede en derde lid kan het college de aflossingscapaciteit afwijkend vaststellen op verzoek van de belanghebbende, indien hiermee de vordering binnen een periode van 24 maanden geheel zal zijn voldaan.
Hoofdstuk 5
Artikel 27
Aflossingscapaciteit
Onderdeel van Beleidsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Kampen