De financiële draagkracht wordt gevormd door:
het aanwezige inkomen;
het eventueel aanwezige vermogen.
De draagkrachtperiode wordt in beginsel vastgesteld voor een periode van 12 maanden, vanaf de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn gemaakt.
Indien binnen de vastgestelde periode van 12 maanden een nieuwe bijzondere bijstandsaanvraag wordt ingediend, blijft de al eerder vastgestelde draagkracht voor die periode gelden.
De draagkracht wordt bij een aanvraag telkens vastgesteld voor een periode van 12 maanden (of langer) volgend op het tijdstip waarop de voorliggende periode is verstreken.
De draagkracht kan over een afwijkende periode als genoemd onder 1 worden vastgesteld indien hiervoor aanleiding is.
Wanneer belanghebbende algemene bijstand ontvangt, wordt de draagkrachtperiode in beginsel vastgesteld voor onbepaalde tijd. De draagkrachtperiode loopt af op de dag waarop de bijstandsuitkering wordt beëindigd.
Wanneer belanghebbende een AOW-uitkering ontvangt, wordt de draagkrachtperiode in beginsel vastgesteld voor een periode van 60 maanden1Collegebesluit d.d. 2 mei 2017.
Wanneer belanghebbende is toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), heeft hij geen draagkracht gedurende de looptijd van de sanering.
Wanneer belanghebbende een minnelijke regeling via de Stadsbank Oost Nederland is overeengekomen, heeft hij geen draagkracht gedurende de looptijd van de minnelijke regeling.
Wanneer bij belanghebbende sprake is van executoriaal beslag (loonbeslag) is er geen sprake van draagkracht ten tijden van de looptijd van het beslag.
De draagkracht kan binnen de vastgestelde periode worden herzien als ten gevolge van een verandering in de omstandigheden de netto draagkracht op jaarbasis hoger is dan het drempelbedrag zoals genoemd in artikel 35 lid 2 Participatiewet.
Indien de gebruiksduur van een voorziening, waarvoor bijstand met toepassing van deze beleidsregels wordt verleend, zich over een langere periode dan 12 maanden uitstrekt, wordt bij de vaststelling van de draagkrachtperiode, in principe uitgegaan van de draagkrachtperiode zoals genoemd bij 5.2 onder 1 van deze beleidsregels.
Artikel 35 lid 2 Participatiewet geeft het college de mogelijkheid een drempelbedrag te hanteren tot een maximumbedrag zoals genoemd in dit artikel. Aangezien dit bedrag voor personen met een inkomen op het sociaal minimum niveau een hoog bedrag is, wordt in de gemeente Montferland geen gebruik gemaakt van deze wettelijke mogelijkheid.
vaststelling inkomen over 12 maanden:
bij de vaststelling van het inkomen over 12 maanden wordt, ten aanzien van regelmatig binnen de 12 maanden ontvangen inkomsten, uitgegaan van de hoogte van de inkomsten over de laatste gebruikelijke betalingsperiode voorafgaand aan het tijdstip waarop de draagkrachtperiode begint;
onregelmatig ontvangen inkomsten:
bij de vaststelling van het inkomen over 12 maanden worden niet regelmatig binnen de 12 maanden-periode ontvangen inkomsten bepaald door middel van een gemiddeld maandinkomen te berekenen over de periode van 6 maanden voorafgaand aan het tijdstip waarop de periode van 12 maanden zou starten;
bij de toepassing van bovenstaande kan rekening gehouden worden met een wijziging van omstandigheden die binnen een periode van 12 maanden optreedt;
niet tot het inkomen (vrijlatingen) van belanghebbende wordt gerekend hetgeen vermeld staat onder artikel 31 lid 2 Participatiewet, met inachtneming van artikel 31 lid 5 Participatiewet.
In afwijking op het voorgaande lid wordt de jonggehandicaptenkorting (artikel 31, lid 2, onder c Participatiewet) niet tot het inkomen gerekend van de persoon die jonger is dan 27 jaar.
Op het inkomen van belanghebbende wordt in mindering gebracht:
verplichte betalingen voor levensonderhoud ten behoeve van de niet in het gezinsverband van de aanvrager levende echtgenoot en kinderen tot 21 jaar, alsmede ten behoeve van de gewezen echtgenoot (= alimentatie);
noodzakelijke betalingen tot levensonderhoud op grond van het Burgerlijk Wetboek aan kinderen jonger dan 21 jaar (= alimentatie).
De pensioenvrijlating, zoals bedoeld in artikel 33 lid 5 Participatiewet, die geldt voor de algemene bijstand, geldt ook voor de berekening van de draagkracht voor de bijzondere bijstand.
Gesteld wordt dat vanaf 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm een persoon draagkracht heeft uit inkomen. De draagkracht bedraagt 100% van het meerdere inkomen per jaar.
Kostendelersnorm (Participatiewet)
Bij het bepalen van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor het verstrekken van individuele bijzondere bijstand aan een belanghebbende wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm (artikel 22a Participatiewet). De reden hiervoor is dat het verlenen van bijzondere bijstand een individueel karakter heeft. De kostendelersnorm houdt rekening met de mogelijkheid om schaalvoordelen te realiseren inzake de algemene noodzakelijke bestaanskosten.
Een uitzondering wordt gemaakt bij het verstrekken van bijzondere bijstand voor algemene bestaanskosten voor jongeren (zie paragrafen 9.19 en 9.20) en bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag (zie hoofdstuk 10). Bij deze twee kostensoorten wordt bij de draagkrachtberekening wel rekening gehouden met de kostendelersnorm en aanwezige kostendelers. Hierbij wordt voor jongeren de kostendelersnorm gehanteerd die van toepassing zou zijn als ze 21 jaar waren. De argumentatie hiervoor wordt gevonden in het algemene karakter van de algemene bestaanskosten voor jongeren en het feit dat de bijzondere bijstand voor algemene bestaanskosten uitgaat van de situatie dat aangevuld moet worden tot de norm voor een 21-jarige. Voor wat betreft het verstrekken van woonkostentoeslag via bijzondere bijstand, wordt aangenomen dat eventuele kostendelers ook kunnen bijdragen aan het bekostigen van gezamenlijke woonlasten.
Bij het bepalen van de draagkracht uit vermogen is artikel 34 lid 2 Participatiewet van overeenkomstige toepassing, behoudens in de hieronder genoemde situaties. Het vermogen beneden de in artikel 34 lid 3 Participatiewet genoemde vermogensgrens wordt wel als financiële draagkracht aangemerkt indien:
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om in de kosten waarvoor bijstand wordt aangevraagd te voorzien;
de noodzaak tot bijzondere bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het eigen bestaan;
de aanvraag een door belanghebbende te betalen waarborg betreft;
bijstand wordt gevraagd voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen waarvoor gereserveerd dient te worden;
het bijstand betreft ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast.
Als er vermogen in de woning aanwezig is (boven de grens uit artikel 34 lid 2, onderdeel d Participatiewet) dan kan bijzondere bijstand zonder verder onderzoek verstrekt worden als deze bijstand op jaarbasis minder bedraagt dan € 1.000,-. Als de bijzondere bijstand meer bedraagt, dan dient het verzoek om bijzondere bijstand afgewezen te worden, tenzij tegeldemaking, bezwaring, of verdere bezwaring van het in de woning gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd (artikel 50 lid 1 Participatiewet).
In de beleidsregels flankerend re-integratiebeleid 2017 is opgenomen dat de draagkracht van het minimabeleid bij uitstroom naar werk, met uitzondering van kwijtschelding gemeentelijke belastingen, vastgesteld wordt, gelijk aan degenen met een uitkering. De duur hiervan is begrensd op het jaar van uitstroom en het daaropvolgende jaar (artikel 5 van de beleidsregels flankerend re-integratiebeleid 2017).
Artikel 5.
Draagkracht, drempelbedrag, inkomen en vermogen
Onderdeel van Beleidsregels Bijzondere bijstand Montferland 2018 en volgende