In deze verordening wordt verstaan onder:
bedrijfsvaartuig: elk vaartuig, waarin of waarop uitsluitend of hoofdzakelijk een beroep, bedrijf of dienst wordt uitgeoefend dan wel dat door zijn constructie, afmetingen en inrichting uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd of geschikt is om daarin een beroep, bedrijf of dienst uit te oefenen;
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet wordt verstaan;
bevoegd gezag:bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
gebouw: hetgeen in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving daaronder wordt verstaan;
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
jachthaven: een deel van het water met de daarbij behorende grond waar – al dan niet onder toezicht – overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van pleziervaartuigen aan de daarvoor aangebrachte voorzieningen, zoals aanlegsteigers en meerpalen;
kampeermiddelen: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsplanactiviteit voor het bouwen in de zin van de Omgevingswet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
openbare plaats: plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek;
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990);
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
rietkraag: een van een water of oever deel uitmakende oppervlakte van ten minste 1 m², welke is begroeid met riet, biezen, lisdodden of helofyten en alle land, water of moeras binnen 5 meter afstand hiervan;
vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten;
vaartuigwrak: een vaartuig dat vaartechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, alsmede omvangrijke samenstellende delen van vaartuigen die in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeren;
voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
waterscooter: waterscooter als bedoeld in artikel 1.01 van het Binnenvaartpolitiereglement;
weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan;
woonschip: elk vaartuig, dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt als woning of recreatieverblijf dan wel door zijn constructie, afmetingen en inrichting uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd of geschikt is om te worden gebruikt als woning of recreatieverblijf;
zwemplaats: een door middel van palen, drijvers of andere wijze afgescheiden gedeelte van het (openbaar) water uitsluitend bestemd voor zwemdoeleinden.
Hoofdstuk 1
Artikel 1:1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Verordening natuur- en recreatiegebied de Grevelingen Schouwen-Duiveland